maandag 31 maart 2008

Manfred Kyber - Hemelsleutels


'Hoor eens', zei het kleine meisje. 'Je hebt net gezegd dat je de mensenzielen van de aarde naar de hemel brengt. Vertel daar eens iets meer over? Hoe doe je dat? En waarom moeten wij trouwens sterven? Kun je niet eenvoudig overstappen naar de hemel?'
Toen het kleine meisje dat vroeg, luidden de klokken net het einde van de werkdag in.

'Hoor je die klokken luiden?' vroeg de dood. 'Met de menselijk ziel is het net zo gesteld als met de klokken, weet je. Iedere mensenziel is een klok en je hoort ze, als je goed oplet, in vrolijke en treurige tonen luiden. Bij sommigen luidt hij nog maar heel zwak en dat is dan echt heel erg. Als ik bij een mens kom, dan luidt zijn klokkenziel het einde van de werktijd in. Dan hang ik die klok in de hemel en daar luidt hij dan verder.'
'Luiden ze daar allemaal door elkaar?' vroeg het kleine meisje. 'Dat kan vast niet erg mooi klinken, want ze luiden waarschijn­lijk allemaal verschillend. Dat kan niet erg prettig zijn voor de Lieve God om naar te luisteren.'

'Daar heb je wel gelijk in', zei de dood, 'maar weet je, klokkenzielen komen zo vaak op aarde terug en worden net zo lang opnieuw gegoten, tot ze allemaal hun eigen geluid hebben, dat precies goed is, zodat ze allemaal in één grote harmonie tezamen klinken. Tot zolang moet ik de mensen van de aarde naar de hemel brengen.'

'Dat spijt me voor jou', zei het kleine meisje. 'Het is vast heel zwaar werk. Maar let op, eens wordt het beter en dan heb je helemaal niets meer te doen.

zondag 30 maart 2008

Het evangelie volgens Filippus


36.


Het is voor iemand niet mogelijk
iets te zien van de dingen
die werkelijk bestaan,
tenzij hij eraan gelijk wordt.

Zo gaat het niet met de mens in de wereld:
hij ziet de zon
zonder een zon te zijn,
en hij ziet de hemel
en de aarde
en alle andere dingen
zonder deze dingen te zijn.

Zo gaat het wel met de plaats van de
Waarheid.
Je zag iets van die plaats
en je werd er gelijk aan.
Je zag de Geest
en je werd Geest.
Je zag Christus
en je werd Christus.
Je zag de Vader
en werd tot Vader.

Daarom zie je hier alles
en niet jezelf,
maar daar
zie je jezelf,
en wat je ziet
zul je worden.

Gustav Meyrink - Briefwisselingen

“Het enige dat echt de moeite waard is, is het vinden van je diepste "Ik", de "Ik" die wij zijn, en die wij, zonder het te weten, altijd geweest zijn. Dat "Ik" is zuiver geest, bevrijd van vorm, tijd en ruimte, waarin het, om zo uit te drukken, gedeeltelijk is ingebouwd. Weet wel dat het diepste "Ik" zo zacht als een vlinder is.
Alleen op een heel voorzichtige, fijnzinnige en zeer natuurlijke wijze moet je proberen je "Ik" te bereiken. Om tot mijn "Ik" door te dringen bewijst de blijdschap de beste diensten, de blijdschap op vertrouwen gebaseerd. Het diepste van ons eigen wezen is nog meer in ons innerlijk verborgen dan wat wij als ons ik beschouwen. Ons diepste zelf lijkt op een wild dier, dat op de vlucht slaat zodra er ook maar de geringste beweging naar wordt gemaakt.
Men kan zijn diepste wezen slechts waarnemen door toevallige gebeurtenissen. Je moet daarbij van het principe uitgaan, dat het er al is, maar dat je er niet naar moet zoeken. Het opkomen van een gevoel van blijdschap is het eerste subtiele te ken, dat er een magische kracht in je gaat geboren worden.
Dan verschijnt er een "meester", een menselijk wezen zoals je zelf bent, bijna aan jezelf gelijk. Jijzelf bent, naargelang je de "meester" in je waarneemt, niets meer dan een ademtocht uit de mond van de "meester". Je hoort hem zo tot je spreken, als sprak hij jouw taal. Wezenlijk is het, dat je eigen diepste "Ik" de brug is waarover hij tot je komt.
Belangrijk is, dat je zelfs de geringste opwelling van je innerlijk wezen de kans geeft zich ongehinderd te uiten. Verder is belangrijk dat je elke opwelling, hoe banaal die ook mag lijken, alle aandacht geeft. Neem er nooit genoegen mee je eigen innerlijk wezen het juk van je verlangens op te leggen. Op die manier probeer je je eigen innerlijkheid te onderdrukken. Alleen je wil, je waarachtige wil moet handelen. Buiten jou bestaat er geen God.”

uit een brief aan Oskar Schmitz

zaterdag 29 maart 2008

Manfred Kyber - Hemelsleutels

'Ik ben de engel van de roem, wat kan ik voor je doen in mijn tempel en heilige bossen?'
'Ik heb een glazen kroontje, dat gebroken is', zei de konings­dochter', en nu moet ik almaar rondzwerven, tot ik iemand vindt die het weer maken kan.'
Toen nam de engel haar vriendelijk bij de hand en voerde haar de tempel binnen. Daar binnen was alles van marmer en op de wanden en de zuilen stonden gouden namen geschreven, waarop het zonlicht scheen, zodat ze fonkelden en glansden en buiten de muur waaide zacht de bergwind en ruiste in de kruinen van de laurierbomen.
'Dat zijn de namen van degenen die daarbuiten zo stil en ernstig rondlopen', zei de engel. 'Het zijn de namen van degenen die hun meest innige gevoelens en denken aan de wereld geschonken hebben en die door de mensen met eerbied en dankbaarheid genoemd worden. Zolang ze op aarde verkeren, gaat het hun weliswaar niet goed. Ze moeten heel veel strijd leveren en krijgen het hard te verduren. Daarom zijn ze ook zo stil en zo ernstig. Maar als ze de wereld verlaten hebben, komen ze bij mij en wonen hier boven. Hier heerst rust en helderheid en eeuwige ochtendzon. Als je wilt, kan ik je tot een der mijnen maken. Je krijgt een lauriertak en je naam zal met gouden letters geboekstaafd staan.'

Uit: De Hemelsleutels en andere sprookjes voor volwassenen. - Manfred Kyber

Nieuwe Website

Frederik van Eedengenootschap

Sprokkels

Een vooroordeel is moeilijker te splitsen dan een atoomkern.
Albert EINSTEIN

Niet alles wat geteld kan worden heeft waarde. Niet alles wat waarde heeft kan geteld worden.
Albert EINSTEIN

Ik ben er geheel van overtuigd dat de ziel onvergankelijk is en dat haar werking voortduurt van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zoals de zon die voor onze aardse ogen 's avonds schijnt onder te gaan, maar in werkelijkheid nooit ondergaat en onafgebroken voortgaat zijn licht te verspreiden.
Johan Wolfgang von GOETHE

In de grond weet ieder mens goed genoeg dat hij een uniek wezen is, waarvan er maar een op de wereld is. Door geen enkel buitengewoon toeval zal zo'n prachtig stuk eenheid in verscheidenheid ooit ergens anders een tweede keer bestaan.
Friedrich Wilhelm NIETZSCHE

Er horen meer mensen bij de gemeenschap der heiligen, dan zij die bij de kerk in het register staan. ERASMUS

Al wat ons in anderen irriteert kan ons iets doen begrijpen over onszelf.
CARL GUSTAV JUNG (1875–1961)

Onophoudelijk zullen we alles onderzoeken om dan, aan het eind van onze navorsingen, ons zelf terug te vinden op het punt waar we begonnen zijn en we zullen die plek voor het eerst echt kennen.
Thomas S Elliot

Wat wij het begin noemen is vaak het einde en eindigen is beginnen. Het einde is waar wij van uitgaan.
Thomas S Elliot

Mensen zijn de werktuigen van hun werktuigen geworden.
Henri Thoreau

De Tabula Smaragdina

Het is waar! Het is zeker! Het is de volle waarheid!

Wat beneden is, is gelijk aan wat boven is, en wat boven is, is gelijk aan wat beneden is, opdat de wonderen van het ene zich voltrekken.

Zoals alle dingen uit het ene geworden zijn, door één midde­laarschap, zo zijn zij alle uit dit ene geboren, door overbren­ging.

Zijn vader is de zon, zijn moeder de maan, de lucht heeft het in haar schoot gedragen, de aarde was zijn voedster.

De vader van alle talismans in de ganse wereld is alomtegen­woordig.

Zijn kracht blijft ongerept, wanneer zij in de aarde wordt aan­ gewend.

Scheid liefdevol en met groot inzicht en wijsheid, de aarde van het vuur, het fijne van wat hard, dicht en gestold is.
Van de aarde stijgt het op tot de hemel, en daalt vandaar weer af tot de aarde; en neemt daarbij de kracht van wat boven is en die van wat beneden is tot zich.

Zo zult ge de glorie van de ganse wereld bezitten en deswege zal alle duisternis van u vluchten.

Deze is de machtige sterkte aller sterkten, omdat hij al het zachte zal overwinnen en al het harde zal doordringen.

Zo is de wereld geschapen. Uit haar zullen, op dezelfde wijze, wondervolle scheppingen ontstaan.

Men heeft mij dáárom de driemaal grote Hermes genoemd, omdat ik de drie aanzichten van de wijsheidsleer van de ganse wereld bezit.

Voleindigd is wat ik over de toebereiding van het goud gezegd heb.

vrijdag 28 maart 2008

The Land of Dreams - William Blake


Awake, awake, my little boy!
Thou waste thy mother's only joy;
Why dost thou weep in thy gentle sleep?
Awake! thy father does thee keep.


`O, what land is the Land of Dreams?
What are its mountains, and what are its streams?
O father! I saw my mother there,
Among the lilies by waters fair.`


Among the lambs, clothed in white,
She walked with her Thomas in sweet delight.
I wept for joy, like a dove I mourn;
O! when shall I again return?'


Dear child, I also by pleasant streams
Have wandered all night in the Land of Dreams;
But though calm and warm the waters wide,
I could not get to the other side.


`Father, O father! what do we here
In this land of unbelief and fear?
The Land of Dreams is better far,
Above the light of the morning star.'


Manfred Kyber - Het land van Belofte

Men moet bedenken, dat wij toch allen op een overgangs­drempel leven en dat de eigenlijke gebeurtenissen van het bestaan in een geestelijke wereld plaats hebben achter de dingen en achter dat, wat wij gebeurtenissen noemen. Mis­schien dromen wij de dingen ook slechts, maar omdat wij dromen, waken wij niet over datgene, wat het eigenlijke is. Het kan zijn, dat dit moeilijk te begrijpen is, maar ik moet het zeggen omdat het waar is.


Alles is afscheid op deze aarde, afscheid van de dag, van de morgen en van de avond, van de nacht vol vrede voor de nieuwe dagtaak, afscheid van mensen, dieren en bloemen. Ons verblijf op deze aarde is geen woning, maar een eeuwige weg; maar het is een troost, dat het een weg is naar een pleisterplaats, die allen zoeken, die van goeden wille zijn.

donderdag 27 maart 2008

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

‘Was ik toen werkelijk zo’n nuchter mens?’, vroeg hij zich droefgeestig af, ‘of komen we eerst nader tot onze eigen ziel, naarmate we het graf dichter tegemoet gaan?’


Het heeft iets spookachtigs, als herinneringen weer levend worden! Ze komen naar buiten als uit een nietig punt, breiden zich uit, bevinden zich opeens in de ruimte, mooier en sterker aanwezig dan ze eerst waren.


‘Wat is de aarde toch voor een wrede spiegel: zij laat de beelden die zij doet ontstaan, langzaam in iets afschuwelijk veranderen en verwelken, voordat ze oplossen.’


Wie zich niet meer verheugen kan, in hem is de zon gestor­ven. Hoe zou zo iemand licht kunnen uitstralen? Zelfs de onzuivere vreugde staat dichter bij het licht dan de duistere, droefgeestige ernst.
Je vraagt wie ik ben? De vreugde en het' Ik' zijn hetzelfde. Wie de vreugde niet kent, die kent ook zijn' Ik' niet.
Het innerlijkste' Ik' is de oerbron van de vreugde. Wie het niet aanbidt, die dient de hel.

Gustav Meyrink - Walpurgisnacht(4)

Geleidelijk varieerde hij de melodie op een wijze zoals het moment hem ingaf.
Het lag in zijn aard, zich door zijn eigen spel te laten meesle­pen, waar hij dan als een verwonderde toehoorder naar kon luisteren, alsof iemand anders en niet hijzelf de violist was, één, die zich in hem bevond en die hij toch niet zelf was en van wie hij niets wist - noch gestalte noch wezen - dan dat hij de strijkstok hanteerde.
In gedachten dwaalde hij daarbij rond in vreemde, ge­droomde plaatsen, bracht klinkende schatten uit verre diepten naar boven, tot hij zelf zo extatisch was dat de muren om hem heen verdwenen en een nieuwe, aldoor veranderende wereld vol kleuren en klanken hem omgaf.
Dan kon het soms wel gebeuren dat de doffe ramen glashel­der voor hem werden en dat hij plotseling wist, dat daarachter een feeënrijk lag in wonderbaarlijke pracht, de lucht vol van wit-glanzende, dwarrelende vlinders, een levende sneeuwval midden in de zomer, en dat hij zich langs oneindige rijen jas­mijnbomen met gewelfde bladerkronen zag schrijden, dron­ken van liefde - de vurige schouder van de jonge, voor de brui­loft getooide vrouw, die geheel zijn ziel met de adem van haar huid doordrenkte, innig tegen de zijne gedrukt.

woensdag 26 maart 2008

- Kahlil Gibran -


Als je staat aan het begin van je kennen,
sta je aan het begin van je voelen.
Wie alleen kan zien wat het licht onthult
en alleen kan horen wat het geluid verkondigt,
ziet en hoort eigenlijk niets.

De werkelijkheid van iemand anders
is niet gelegen in het feit wat hij je onthult
maar in wat hij je niet kan onthullen.
Als je hem dus wilt begrijpen
luister dan niet naar wat hij zegt,
maar veel meer naar wat hij niet zegt.

Jij en ik blijven vreemden voor het leven,
voor elkaar en voor onszelf,
tot de dag waarop jij spreekt
en ik luister
omdat ik meen dat jouw stem
mijn eigen stem is
en ik, wanneer ik voor je sta,
meen dat ik mezelf zie staan
voor een spiegel.

- Kahlil Gibran -
illustratie: Kahlil Gibran

Frederik van Eeden - Het Roode Lampje, signifische gepeinzen.

"Et in unam sanctam catholicam et apostolicam, ecclesiam". Credo!

Ik geloof daaraan stellig, ik kan het met vastheid en goed geweten uitspreken. Ik geloof in een heilige, katholische en apostolische kerk. Is hier geen misver­stand mogelijk? Natuurlijk wel, zooals overal en altijd, waar taal te pas komt. Ik heb een vrij stellig en duidelijk denkbeeld van hetgeen ik bedoel. Maar niet zoo zeker weet ik, wat de menschen bedoelen, die met mij spreken over de heilige Moederkerk.

Als we het woord kerk signifisch beschouwen dan vinden we allereerst de kerk als het gebouw. Dat is het duidelijkst voor alle mensen, daarover is misverstand het minst mogelijk. Maar het gebouw is maar symbolisch. Ieder die zijn gedachten onderzoekt, zal vinden, dat "kerk" als gebouw, voortdurend verward wordt door een veel hoger, maar ook veel vager begrip, n.l. kerk als mensengroepering, als vereniging van een aantal leden. Maar dan zijn wij er nog niet. Want als ik het wel heb, is volgens de katho­lieke leer de kerk nog heel iets anders en iets meer, dan het geheel harer leden. Het is, als ik een poging tot expressie mag wagen - het ontoereikende van alle expressie bedenkend - het is de zinnelijk onwaarneem­bare eenheid, waarvan de gelovige menschen de zinnelijk zichtbare delen zijn.

Als dit goed is uitgedrukt, dan komt dit geheel overeen met mijn eigen denkbeeld omtrent de Kerk, waarover ik mijn "Credo" uitsprak. Ik geloof in de gelovige mens, in de samenhang van alle gelovigen tot een éénheid, en een onzinnelijk weezen, dat alle gelovigen omvat. Dat is dus, in de signifische ontwarring van het woord "kerk" de derde hoofdbetekenis. Men heeft:
1ste . Het gebouw.
2de . Het geheel harer leden.
3de . De mystieke, direct niet waarneembare Eenheid, Ecclesia.

De kerk, waaraan ik geloof, wordt aangeduid door de derde beteekenis. Maar daarbij is volstrekt niet alle misverstand uitgesloten. De woorden "apostolisch" en "katholiek" maken de moeilijkheid niet.
Ik versta het woord "apostolisch" als "overeenkomend met de leer van Jezus' aposte­len en voortzettend hun arbeid".
"Katholiek" begrijp ik als "voor iedere mens geldig". Dit alles komt overeen met de beteekenis, die het woord "kerk" voor mij heeft.

Maar een grooter bezwaar is dit, dat ik niet zeker ben, of de thans bestaande zinnelijke kenbare, hiërarchische organisatie, die zich de Rooms Katholieke Kerk noemt, identiek is met de Heilige Kerk, de Sancta Ecclesia, die uitmaakt de niet zinnelijk bespeurbare eenheid van alle waarlijk gelovigen in Jezus Leer. Met andere woorden: ik kan niet toegeven, dat alle leden van de Rooms Katholieke kerk behoren tot die heilige Ecclesia, noch dat alle menschen, die de Ecclesia omvat, behoren tot de Rooms Katholieke organisatie. Er zijn, naar mijn weten en waarnemen, zeer veel katholieken, die niet tot de Heilige Kerk behoren, en veel leden der Heilige Kerk, die niet Rooms-katholiek zijn.

Dat de zinnelijk zichtbare mensengroep, die de Rooms Katholieke kerk heet, zoo uitgebreid, zoo prachtig en zoo sterk is, met haar eeuwenoude organi­satie, haar ritueel en liturgie, haar schoone gebeden en gezangen, haar kunstwerken, haar heerlijke gebouwen, haar muziek - en haar Zaligen en Heiligen . . . . dat alles is indrukwekkend en groots. Ja, men kan zeggen, dat geen mensengroepering haar in macht en schoonheid nabij komt.

Maar die grootte en pracht bewijst niet, dat zij de waarheid omsluit en bevat, de gehele waarheid en niets dan de waarheid. Dit moeten zij bedenken, die de Roomse moederkerk verheerlijken en haar pracht en grootte prijzen. Was niet het Romeinse Imperium prachtig en groots, met zijn zuilenrijke steden, met de heerlijke wonderstad Rome als midden, met zijn bouwkunst en beeldhouwkunst, zijn wereldomspannend net van recht en wet - en wat was daarin het groepje ongeschoolde vissers? Maar die hadden de waarheid. - Het reusachtige Romeinse Rijk ging te gronde, maar het groepje apostelen veroverde de wereld.
Dus moet de pracht der Roomsche Kerk ons niet ver­blinden, en haar grootte en macht zijn geen bewijzen voor haar bezit der volle waarheid. Ook de schoonheid van haar gewijde muziek en kerkelijke kunst bewijst dat niet. Niet-kerkelijke muziek is ook schoon, en juist de scheiding van kerkelijke en niet-kerkelijke kunst is voor mij bevreemdend en niet in overeenstemming met mijn denkbeeld van de Kerk.

De Kerk, waaraan ik geloof kent die scheiding niet. Die omvat alle menselijk schoon. Ze kent ook niet de scheiding tusschen geestelijk en wereldlijk gezag. Haar hoofd is tegelijk Paus en Keizer. Ze heft het staatsbegrip op en vervangt het. Zij is de rechte Gemeenschap aan wier beheer alle wereldse goederen door God worden toevertrouwd en in leen gegeven. Zij is de moeder-hen en beschouwt alle menschelijke individuen als haar kie­kens, waarvoor ze zorg en bescherming heeft. Zij past toe het zuivere socialisme, door het ordenen van alle sociale werkzaamheid. Zij verwerkelijkt het zuivere communisme, door het gestreng beheer van alle stoffelijke goederen, zoodat geen mensch kan hongeren, noch kan zwelgen.
Zij vervult de idealen van wie zich anarchist noemen, en vervangt geleidelijk alle gewelddadig gezag en al wat als dwang wordt gevoeld, door liefderijke opvoeding.


(door mij omgezet in moderne Nederlandse spelling) illustratie: Kahlil Gibran

Paulo Coelho – Veronika besluit te sterven – citaat

Afscheid nemen. Dat was wel het moeilijkste deel van een opname in een inrichting: eenmaal binnen wen je aan de vrijheid die in de wereld van de waanzin bestaat, en ver­volgens raak je eraan verslaafd. Je hoeft geen verantwoor­delijkheden meer te dragen, niet meer voor je dagelijkse bestaan te vechten of je om de saaie dingen van alledag te bekommeren; je kunt uren spenderen aan het bekijken van een schilderij of aan het maken van de raarste tekenin­gen. Alles is acceptabel want per slot van rekening ben je geestesziek. Zoals ze met eigen ogen had kunnen zien, gaan de meeste patiënten zodra ze zijn opgenomen, met sprongen vooruit: ze hoeven hun symptomen niet langer te verbergen en de 'familie'-sfeer helpt ze hun psychosen en neurosen te accepteren.
Maar ze begreep dat ze met enige wijsheid alles wat ze wilde doen ook buiten de in­richting zou kunnen blijven doen, naast de beslommerin­gen van het leven van alledag. Daartoe zou ze, zoals ie­mand dat gezegd had, alleen maar haar gekte onder con­trole hoeven te houden. Huilen, je zorgen maken, je erge­ren zoals elk normaal mens, zonder ooit te vergeten dat daarboven je geest lacht om al die moeilijke situaties.
ISBN 90-413-3107-7

Corpus Hermeticum - Citaat

“Je moet zó over God denken: Hij heeft alle ideeën in zich, de godsidee, de idee van de kosmos, de ideeën van alles.

Als je jezelf niet aan God gelijk maakt, kun je je geen begrip van God vormen; want het gelijke wordt alleen door het gelijke gekend.
Maak jezelf groter tot je beantwoordt aan hem die onmetelijk groot is.
Verhef je boven alles wat ruimtelijk is, stijg uit boven de tijdelijkheid en wordt een eeuwig Wezen, dan zul je God kennen.
Overtuig jezelf dat voor jou niets onmogelijk is en houd voor ogen, dat je alles kunt kennen, iedere kunst, iedere wetenschap, de aard van elk levend wezen.
Klim hoger dan de hoogste hoogte, daal dieper af dan de diepste diepte.
Neem de gevoelens van alle ‘schepselen’ in jezelf op, van vuur, water, droog, vochtig.
Stel je voor dat je alomtegenwoordig bent, in de aarde, in de zee, aan de hemel, vóór je verblijf in de moederschoot, in de moederschoot, jong, oud, dood, in het hiernamaals.
Als je je dat alles tegelijk bewust hebt gemaakt, tijden, plaatsen, dingen, kwaliteiten, kwantiteiten, dan kun je verstaan wat God is.
(CH, XI, 20).

illustratie: S. Wulfing

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen

Woorden van Tennyson, geciteerd door J. Anker Larsen in 'de steen der wijzen'
Tennyson schrijft er het volgende over: "Eensklaps, om zoo te zeggen als gevolg van een intensief gevoel van mijn eigen individualiteit, scheen deze individuali­teit zelve zich op te lossen en te verdwijnen in een zijn zonder grenzen. En dit was geen verwarde toestand, maar het duidelijkste van al wat duidelijk is, het zekerste van al wat zeker is, elke beschrijving tartend; een toestand, waarin de dood een bijna belachelijke onmogelijkheid was, en het verlies van de persoonlijkheid - indien het dit was - scheen geen vernietiging te zijn, maar het eenige ware leven. Ik schaam mij over mijn zwakke omschrijving. Heb ik niet gezegd, dat die toestand elke beschrijving tart?"

illustratie: Escher

dinsdag 25 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

"Het moet waarlijk wel een gebeurtenis zijn om een engel te zien," zei Dahl.
Miss Dale zweeg, alsof zij niet verder op dit onderwerp wenschte in te gaan. Maar Dahl vond, als zij er openlijk met Barnes over gesproken had, dan kon zij dat toch ook wel met hem en May doen.
"Barnes denkt, dat u hier met een bepaalde bedoeling bent," zei hij polsend.
"Bedoelt hij hier in Denemarken of hier op aarde," vroeg zij.
"Waarschijnlijk allebei."
Zij keek hem even aan en antwoordde ontwijkend: "Wel, wij zijn hier allen om een bepaalde reden."
"Gelooft u, dat alle menschen om een bepaalde reden geboren worden?"
"Allen."
"Die reden is niet gemakkelijk te vinden.”
Zij antwoordde niet.
Dahl ging voort: "En zij dan, die kort na hun geboorte sterven. – Ik heb zelf een broertje gehad. Ik was den hemel nabij, wanneer ik bij hem was. Ik was toen zelf nog klein, maar ik kan hem nooit vergeten. Hij stierf, voordat het leven beteekenis voor hem kreeg,"
"Wie zegt u, dat het leven beteekenis voor hem moest hebben" zei miss Dale.
"Voor wien anders?"
"Naar wat u zooeven zei, heeft het beteekenis gehad voor u” zei zij.
En toen hij haar getroffen en verwonderd aankeek, ging zij voort:
"U sprak zoo juist over het zien van een engel uit den hemel. U moest zich daar niet te veel voor inspannen. U moest liever zorgen, dat de engelen, die u met eigen oogen ziet hier op aarde, hun volle beteekenis krijgen in uw leven. De volle beteekenis en de juiste."

Kent iemand ...

Kent iemand dat gevoel: 't is geen verdriet,
'T is geen geluk, geen menging van die beiden;
'T hangt over je, om je, als wolken over heiden,
Stil, hoog, licht, ernstig; ze bewegen niet.
Je voelt je kind en oud; je denken ziet
Door alles, wat scheen je van God te scheiden.
'T is, of een punt tot cirkel gaat verwijden;
'T is, of een cirkel punt wordt en verschiet.

Je denkt: Nooit was het anders; tot mijn Wezen
Ben 'k al zo lang van sterflijkheid genezen.
Je weet: Niets kan mij deren; ik ben Hij.

Tot zekerheid je twijfel opgeheven,
Zo hang je als eeuwig boven je eigen leven:
Je bent de wolken en je bent de hei.

Johan Andreas Dèr Mouw (1863-1919)
Illustratie: Hermann Hesse

maandag 24 maart 2008

J. Anker Larsen – 3. Met open deur - Citaat

Juist zo is het met de vreugde in het eeuwi­ge nu. Ik heb in het begin van dit verhaal gezegd, dat ik een goede eetlust had in alle vreugden des levens, en ik heb nog geen kla­gen, noch over de eetlust, noch over de spijs­vertering, maar indien ik alle eten ter wereld in een schaal had, en alle wijn ter wereld in een glas, alle tabak in een sigaar en alle vrou­wen ter wereld in een rok, en de eer aller koningen in een pronkerige ridderorde - met de belofte dit alles voortdurend te bezitten, als ik de mogelijkheid wilde opgeven tot het opnieuw beleven van die ontmoetingen met het eeuwige nu en de lichtglans, die zij over het leven werpen: ik zou hartelijk lachen en de gehele zaak op de mesthoop gooien. Mocht ik iets vergeten hebben, dat begeerd kan wor­den, dan werp ik dit ongezien mee.



Dankbaar geluk omdat de dingen bestaan, niet voor het esthetische genot dat zij opwek­ken, niet voor het nut, dat zij kunnen doen, maar omdat zij bestaan - tezamen met ons; dat is het kenteken, dat men de werkelijkheid zelf ziet. Wanneer wij vergeten, dat de dingen die van ons zijn, ons toebehoren, wanneer de vreugde over het feit, dat zij van ons zijn, ver­drinkt in de vreugde over het feit dat zij er zijn, dan zijn de eeuwigheidslongen begon­nen te ademen. Dan wordt in de mens een onopzettelijke tederheid geboren, die van zijn wezen uitstroomt zonder aanzien des persoons. Dat is de eeuwigheidszon, die schijnt over rechtvaardigen en onrechtvaar­digen

J. Anker Larsen

Adriaan Roland Holst - IN MEMORIAM Paul van Eeden.

VOOR ZIJNE MOEDER

Wat weten wij van nu tot aan dit sterven
dan dat de bloemen welken in de gaarde -
dan dat we elkander in de donkere aarde neerleggen,
eenzaam en weer verder zwerven?

Wat weten wij dan dat hij witte bloemen
gevraagd heeft toen hij wit en stil ging worden -
omdat de rozen van zijn bloed verdorden?
omdat geen stem zijn vrede meer kon noemen?

O vreemd vermoeden, dit: te zijn vergeten
het wonder dat zijn sterven kwam behoeden -
wat weten wij dan dat ons schoonst vermoeden
schoon is omdat wij nimmer kunnen weten.

En is dit verward zien, en dit gebroken
tumult van stemmen in het luide, leege,
iets bij het lied waarvan zijn lippen zwegen?
iets bij het licht waarvoor zijn oogen loken?

En toen de lelie van zijn witte zwijgen
door stilte's handen is omhoog genomen,
wisten wij hem voorbij ons verste droomen
voorgoed, en hoog boven ons duister zwijgen.

Achter zijn rusten stond het venster open
naar stille dennen en een ijlen hemel,
en er was geen geluid meer, geen gewemelvan kleuren,
en geen leed meer, en geen hopen -

Neen, niets meer dan zijn stilte waar wij zwegen
en hand in hand naar de ijle hemel zagen,
tot wij nog eenmaal uit het licht der dagen
ons naar de schemer van zijn stilte negen.

Adriaan Roland Holst

Rabindranath Tagore

Waarom, daarom

Waarom gaat de lamp uit?
Ik bescherm hem met mijn jas
om hem af te schermen tegen de storm.
Daarom gaat de lamp uit.
Waarom verwelkt de bloem?
Ik druk haar aan mijn borst
in angstige liefde.
Daarom verwelkt de bloem.
Waarom droogt de stroom op?
Ik heb een dam gebouwd,
om het water voor mijzelf te hebben.
Daarom droogt de stroom uit.

Je kunt de zee niet oversteken door alleen maar naar het water te staren."

Een geest, geheel en al logica, is als een mes, geheel en al lemmet. Het doet de hand die het gebruikt bloeden.

"Ik kwam tot uw kust als vreemdeling, ik woonde in uw huis als gast, ik ga van uw deur heen als vriend, mijn aarde."

Rabindranath Tagore, Indiaas schrijver en filosoof

zondag 23 maart 2008

A. Roland Holst ( 1888-1976)

Wind en water wijd en zijd
houden dit eiland van verlangen
vreemd en glinsterend gevangen
binnen den tijd.

Bloemen en dieren weten het niet,
en het blijft hen onvernomen,
want de wind veinst in de bomen
een ander lied.

En de beken zingen het mee,
en alle de wateren lachen en klagen
of zij van eeuwigheid gewagen,
tot aan de zee.

En maan en zon
en de wolken gaan daarover,
en uit de regenbogen jubelt
nog eindelozer logen –

- wij alleen staan
bleek, met ogen leeg,
in dit vreemde spiegelbeeld geboren
van een rijk, dat wij verloren
achter den tijd.

Johan Wolfgang von Goethe - Citaten

Ik ben er geheel van overtuigd dat de ziel onvergankelijk is en dat haar werking voortduurt van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zoals de zon die voor onze aardse ogen 's avonds schijnt onder te gaan, maar in werkelijkheid nooit ondergaat en onafgebroken voortgaat zijn licht te verspreiden.

Alle werkelijk wijze gedachten zijn al duizenden keren gedacht,
maar om ze werkelijk onze gedachten te maken,
moeten we er nog een keer eerlijk over nadenken,
totdat ze wortelen in onze persoonlijke ervaring.

Wat je ook kunt,
of droomt dat je kunt,
begin er aan –
doortastendheid geeft genialiteit,
kracht en magie.

Johann Wolfgang Von Goethe

Citaten van Carl Gustav Jung

Iedereen heeft een schaduw. Hoe minder deze in het dagelijks bewustzijn van het individu geïntegreerd is, des te zwarter en dichter is ze. Ze vormt in elk geval een onbewuste hinderpaal die zelfs onze beste bedoelingen verijdelt.

Datgene in onszelf wat we niet in ons bewustzijn laten doordringen, doemt in ons leven op als het noodlot.

Men wordt niet verlicht door zich allerlei beelden van licht voor te stellen, maar door zich bewust te worden van de eigen innerlijke duisternis.

Zolang de godsdienst alleen maar geloof en uiterlijke vorm is en de godsdienstige functie niet een ervaring van de eigen ziel geworden is, is er nog niets ingrijpends gebeurd. Men begrijpt nog niet dat het grote mysterie niet alleen op zichzelf bestaat, maar dat het hoofdzakelijk zijn grond in de menselijke ziel vindt.

Hermann Hesse - Siddhartha

Siddhartha sloeg de ogen op en glimlachte, een tintelend gevoel doorstroomde al zijn leden, alsof hij juist ontwaakt was uit een lange droom. Onge­merkt was hij weer gaan lopen, maar nu met de ste­vige pas van iemand die weet wat hem te doen staat.
'Nu ben ik wijzer geworden,' dacht hij, terwijl hij opgelucht ademhaalde, 'Siddhartha zal mij nu niet meer ontglippen!

Hij keek om zich heen en het scheen hem toe dat hij voor het eerst de wereld zag, die prachtige we­reld, zo rijk aan kleur, zo vreemd en vol geheimen. Er was blauw, er was geel, groen was er, de hemelzee stroomde en het water in de rivier, bossen en bergen stonden bewegingloos aan de einder, hoe mooi was alles toch, hoe raadselachtig en vervuld van vreem­de magie, en in het hart van deze bloem stond hij, Siddhartha, die pas ontwaakt was en op weg was om zichzelf te vinden.

Voor het eerst had Siddhar­tha werkelijk oog voor al wat hem omringde, dit geel en blauw, bos en rivier, geen betovering van de Mara was het meer, geen sluier van de Maya, geen zinloos en toevallig veelvoud van de uiterlijke ver­schijningswereld, zo veracht bij de diep denkende brahmaan, die overal de eenheid zoekt. Blauw was blauw en een rivier rivier, en ook al was het zo dat die glimp van het goddelijke steeds slechts verbor­gen aanwezig was, in het blauw of in de stroom of in Siddhartha, het was toch juist goddelijk naar aard en opzet om geel te zijn of blauw, hemel, woud of Siddhartha.

Het was niet zo dat zin en wezen zich ergens achter de dingen verborgen hielden, zij wa­ren in de dingen zelf aanwezig, in alles zonder on­derscheid.

'Wat ben ik altijd doof en dom geweest!' dacht hij, die liep alsof hij vleugels aan zijn voeten had. 'Want wie een handschrift werkelijk lezen wil, goed wil begrijpen wat de schrijver heeft bedoeld, zal nooit zo dwaas zijn om de letters en de tekens te verachten, ze slechts illusie noemen, louter toeval, waardeloze schellen, hij leest aandachtig alle letter­tekens, hij bestudeert ze, stuk voor stuk. Maar ik heb lezend in het boek der wereld, en toen ik in het eigen wezen lezen wilde, geen acht geslagen op de tekens en de letters, en waar de wereld zich maar aan mij toonde vermoedde ik alleen maar leugen en bedrog, mijn eigen ogen en mijn tong vond ik toe­vallige verschijnsels en dus waardeloos. Maar dat is nu voorbij, ik ben ontwaakt, ben inderdaad ont­waakt en nu pas echt geboren.'

Uit: Siddhartha – Hermann Hesse

Claude van de Berge - De stem 2

Geopend.
Geopend voor het opene.

Alsof we in het heelal zijn voor het heelal ontstaat.

De witte vogel op het versteende meer, de rots,
de kristallen zon.

De kudden betoverd door de avond, terugkerend
naar hun slaapplaatsen.

Het is het opene.
En in de gebroken stilte spreekt geluidloos
een sterkleurige stem.

En de stem spreekt in ons tot zichzelf, want het opene
is het vreemde, en het vreemde is het verre,
en als je het verre liefhebt, heeft het verre
zichzelf lief in jou, en als je het verre bent,
is het verre zichzelf in jou.

uit Kristalschedel - Claude van de Berge (1945-)

zaterdag 22 maart 2008

Nei in grinsleaze waarmte

Soest opstige fan 'e kâlde grûn
it ierdske lizze litte
de dei ôfskodzje
it smûgjend bestean skjinwaaie.

Woest dy bleatjaan
oan streamen fan ier ljocht
yn in nije kosmos
- blau, sjoch hoe blau -
woest dy iepenteare
yn loften fan libben.

Kinst net loskomme
del slacht de dei
yn domwei fuortbestean
bist bûn yn 'e sirkel
fan koartsichtigens
kinst net frij wurde
fan tefolle ierde.

Koest mar opstige út de âlde grûn
en wolkens iepenbrekke
nei in grinsleaze waarmte.

Naar een grenzeloze warmte

Je zou opstijgen van de koude grond
het aardse laten liggen
de dag afschudden
het zelfvoldane bestaan schoonwaaien.

Je wilde je blootstellen
aan stromen van vroege lucht
in de nieuwe kosmos
- blauw, zie hoe blauw –
je wilde je openvouwen
in luchten van leven.

Je kan niet loskomen van
de dag slaat neer
in domweg voortbestaan
je bent gevangen in een cirkel
van kortzichtigheid
je kunt niet niet vrij worden
van teveel aarde

Kon je maar opstijgen uit de oude gronden
wolken openbreken
naar een grenzeloze warmte.

Jelle Bangma (1955-) De twadde sirkel – gedichten en ferhalen, Frysk en Frij, Ljouwert 1993.

Erik van Ruysbeek (1915-2004)

'Laat nu de riemen los en laat het stromen binnen:
slechts wie zichzelf verliest zal eens zichzelf herwinnen.'



Het niet weten
Hoe zou ik weten wat ik ben
ik die alles ben?
alles kent zichzelve niet
het is.

Hoe zou ik weten dat ik ben
ik die alles ben?
het ik is in het al verdwenen
voor kennis is geen plaats.

Hoe zou ik weten dat ik ben
ik die ben?
zijn is niet iets zijn
het is zichzelf genoeg.

Rusten ga ik weldra

Rusten ga ik weldra
in mijn eigen verruimde schoot
eindelijk rusten ga ik
in mijn velden zonder oorsprong.

Ontvang mij dan
groot lichaam zonder grenzen
ontvang mij dan
groot onuitblusbaar vuur.

Vader en moeder der eeuwige geboorte
laat mij verdwijnen in uw zee van licht
zelf licht geworden weer
en zachte trilling tijdeloos.

uit "Zangen van Ongrond"
Erik van Ruysbeek (1915-2004)

Bram Vermeulen - Ik heb een Steen verlegd

ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
het water gaat er anders dan voorheen
de stroom van een rivier hou je niet tegen
het water vindt er altijd een weg omheen
misschien eens gevuld door sneeuw en regen
neemt de rivier mijn kiezel met zich mee
om hem dan glad en rond gesleten
te laten rusten in de luwte van de zee

ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan

ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde
nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan
omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan

Manfred Kyber - Abendlied

Der Abend kommt, der Tag ist aus,
Frau Sonne geht zur Ruh.
Sie geht wohl in ihr Wolkenhaus
und macht die Türe zu.



Dann werden alle angebrannt
die Sternlein in der Nacht.
Es halten über Meer und Land
die Engel heil’ge Wacht.


Und wenn die goldnen Sterne stehn
und scheint der Mond dazu,
dann müssen alle schlafen gehen:
die Welt und ich und du.


Und schläfst du ein und hast du kaum
die Augen zugemacht,
dann schenkt dir einen lieben Traum
die Königin der Nacht.

MIKHAÏL NAIMY - Citaten

Uw kind ben ik, 0 Heer,
en deze schone, overrijke
en lieflijke aarde,
in wiens schoot U mij heeft ingebed,
is nu de wieg
waaruit ik naar u toe kruip.
(grafsteentekst)


Hoe minder men bezit, hoe minder men bezeten wórdt.
Hoe meer men bezit, hoe meer men bezeten wordt.
Hoe meer men bezeten wordt, hoe minder men wordt geacht.
Hoe minder men bezeten wordt, hoe meer men wordt geacht.

Het Boek van Mirdad

Gelukkig zij, die zonder staf gaan,
wánt zij struikelen niet.
Gelukkig zij, die zonder huis zijn,
wánt zij zijn thuis.
Alleen struikelaars - zoals wij
Behoeven een staf tot stut.
Alleen de aan-huis-geketenden - zoals wij
Behoeven huis of hut.

Het Boek van Mirdad


vrijdag 21 maart 2008

Gustav Meyrink - De Witte Dominicaan(3)

Zoals een mens de betekenis van een boek niet kan begrijpen als hij het slechts in de hand houdt of alleen de bladzijden omslaat zonder ze te lezen, zo brengt hem het verloop van zijn levenslot geen winst als hij de betekenis ervan niet begrijpt; de gebeurtenissen volgen elkaar op als de bladen van een boek die de dood omslaat; hij weet het: ze verschijnen en gaan voorbij en met het laatste is het boek uit. Hij weet niet eens, dat het opnieuw wordt opengeslagen, altijd opnieuw, totdat hij eindelijk leert lezen. En zolang hij dat niet kan, is het leven voor hem niets dan een waardeloos spel, een mengsel van vreugde en leed.
Als hij echter eindelijk de levende taal daarin begint te begrijpen, dan slaat zijn Geest de ogen op en vangt hij aan te ademen en mee te lezen.
Hij die aan het omslaan van de bladen, aan het enkele komen en gaan van de bladzijden geen aandacht schenkt, zich daarover niet verheugt of erover huilt en als een opmerkzame lezer met ingespannen aandacht woord voor woord tracht te verstaan, voor hem wordt spoedig een boek opengeslagen waarin een hoger lot staat opgetekend.
Dat is de enige weg om aan de gevangenis van het fatum te ontkomen.

Manfred Kyber - Veronika's drievoudige licht

Je hebt je hemelse ogen nog wel, kleine Veronika en daarmee kun je scherp zien wat er boven de aarde is, maar om in de diepte te kijken moet je weer andere ogen krijgen, en dat neemt tijd en het is een pijnlijk proces. Maar kruip nu maar mijn boom in, want dat kun je heus heel gemakke­lijk doen. De schemering is immers voor jou nog niet gevallen, kleine Veronika. Je hoeft niet bang te zijn. Je aardse lichaam is inderdaad niets meer dan een kleding­stuk, daaronder zit weer een kledingstuk van fijnere stof en daarbinnen zit je eigenlijk zelf. Je grove aardse kledingstuk kan je gerust even achterlaten en in je fijnere kleed, lijk je op mij en op alle elfen en nimfen in het water en in de lucht en het vuur. Je moet je alleen even van jezelf losrukken, ongeveer net zoals wat er gebeurt als je inslaapt. Het is bijna hetzelfde en het gaat helemaal zonder moeite."
Plotseling rukte Veronika zich los van zichzelf en opeens was zij zo licht als een veertje waar de wind mee speelt en zo doorschijnend dat ze door zichzelf heen kon kijken. Haar aardse lichaam zat naast haar en ze vond dat het er loom en suf uitzag. Een moment later was zij midden in de boom en de elf nam haar bij de hand en liet haar alle wonderen zien die er hier waren.
Wat was er veel te zien! Veel meer dan in het landhuis van de kever. Veronika viel van de ene verbazing in de andere. Zij zag de sappen van de boom stromen in duizend fijne aderen. Ze stegen op van de wortels van de boom tot hoog in de bladerenkroon en tot ver in de takken en het loof, dat door de wind voortdurend zachtjes bewogen werd. Degene die toekeek had het gevoel dat hij met de sappen mee omhoog steeg en weer neer daalde als in een levende schommel.
"Ik kan het, nu ik midden in de boom ben, allemaal veel beter begrijpen dan vroeger, toen ik alleen maar met mijn ogen naar binnen keek," zei Veronika, "het lijkt me trouwens dat ik helemaal meer kan begrijpen nu ik mijn aardse lichaam achter gelaten heb. Je wordt door zo'n lichaam traag van begrip, geloof ik, in ieder geval ben je dan veel zwaarder. Ik heb nu zo'n heerlijk gevoel van licht te zijn."
"Ja," antwoordde de elf, "jullie worden door je aardse lichaam inderdaad nogal traag van begrip. Het zijn ook ongemakkelijke kledingstukken. Ik zou me er helemaal niet in kunnen bewegen. Het ergste is dat jullie mensen er steeds minder van gaan begrijpen naarmate je aardse lichaam ouder wordt en je er meer mee vergroeit. Zo lijkt mij dat tenminste te zijn als ik naar de verhalen van mensen luister. Zelf heb ik dat natuurlijk nooit meege­maakt."
"Komen wij dan op aarde om steeds dommer te wor­den?", vroeg Veronika, "dat zou toch vreemd zijn, vind je niet?"
"Nee," zei de elf, "jullie worden alleen dom omdat het donker wordt om je heen en dan moeten jullie het licht zoeken om alles weer beter te leren begrijpen. Als je dan in het duister het licht gevonden hebt is het begrip van het leven heel veel beter geworden. God heeft juist aan de mensen de taak gegeven het licht te zoeken.

Manfred Kyber - Veronika's drievoudige licht

Kijk naar het licht en het leven kleine Veronika, voordat je hemelse ogen insluimeren. Dan kun je er later aan denken, als de schemering gevallen is en het donker wordt om je heen. Want donker wordt het om iedereen, zodat men zich van de pijnlijkheid van dit duister bewust wordt en vervolgens zich zelf in het donker zal terugvin­den, zich zelf en God. Het is een lange weg, kleine Veronika. Toch moeten wij hem allen gaan, hoe zwaar het ons ook valt.
De schop en het emmertje, dat met een vrolijke rode haas was beschilderd, lagen werkeloos bij een omgespit bloem­bed, waarin kleine Veronika allerlei wonderlijke dingen wilde planten. Maar nu zat zij stil voor zich uit te staren. Haar ogen waren immers hemelse ogen en de tuin die weliswaar heel gewoon was, was een geesten tuin. Wat je daar niet allemaal kon zien en horen!
"Wil je mijn landhuis niet eens komen bekijken, Veroni­ka?" vroeg een grote kever, die voor haar zat en een uitnodigend gebaar maakte met zijn voelspriet.
"Kijk eens hoe wit onze bloemen zijn," zeiden de geesten van de veldlelies, "zo wit en rein als het hemelse kleed dat je eens hebt gedragen."
"Heb je gezien hoe handig mijn kinderen zich al op kunnen rollen?" vroeg de egelmoeder, die met haar
kroost behaaglijk in een holte van de met mos begroeide muur vertoefde.
"Moet je ook eens zien hoe prachtig rood onze bloemen zijn," zeiden de geesten der rozen, "even diep rood van kleur als de graalkelk waarnaar jij eens je armen hebt uitgestrekt. Nu denk je daar niet meer aan, kleine Veronika, maar als de schemering gevallen is, zul je er weer aan denken."
"Vind je niet dat mijn kleintjes al reuze goed kunnen vliegen?" vroeg de merel met haar gele snavel uitdagend naar voren gestoken, "kijk eens hoe handig ze op de rand van het nest kunnen landen! En ze hebben er niet eens lang op geoefend, nee dat kun je echt niet zeggen. Heb je ooit zulke handige jonge vogeltjes gezien?"
De bladeren van de koolstronken ruisten en de vlinders dartelden tussen de struiken en planten.
"Jij bent net als wij, kleine Veronika, je bent een rups, maar eens word je een vlinder. Als de schemering valt zul je, net als wij, je inpoppen."

donderdag 20 maart 2008

Frederik van Eeden - De Kleine Johannes

Ik zal je iets over de kleine Johannes vertellen. Het lijkt veel op een sprookje, mijn verhaal, maar het is toch allemaal echt zo gebeurd.
Zodra je het niet meer gelooft, moet je niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor jou. Ook mag je er nooit met de kleine Johannes over praten, als je hem soms tegen zou komen, want dat zou hem verdriet doen en dan zou ik er spijt van hebben, dat ik je dit allemaal verteld heb.
Johannes woonde in een oud huis met een grote tuin. Je kon er moeilijk de weg te vinden, want in het huis waren veel donkere overloopjes, trappen, kamertjes en grote rommelzolders, en in de tuin waren overal schuttingen en broeikassen. Het was een hele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte.
Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat hij er rupsen groot bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar ooit een kip gevonden had. Die was er niet vanzelf gekomen, maar daar door Johannes' moeder neergezet om te broeden. In de tuin koos hij namen uit het plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengsels, die voor hem van belang waren. Zo onderscheidde hij een frambozenberg, een peertjesbos en een aardbeiëndal. Helemaal achter was een plekje, dat hij het paradijs noemde en daar was het natuurlijk heel heerlijk. Daar was een groot water, een vijver, waar witte waterlelies in dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met de wind. Aan de overkant lagen de duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan deze oever, omringd door kreupelhout, waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot. Daar lag Johannes vaak in het dichte gras en tuurde tussen de schuifelende rietbladen door over het water naar de duintoppen. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, zonder zich ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor zich, hoe gezellig het daar moest zijn, tussen die waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan de verre, prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, en wat daar wel achter zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zó op elkaar, dat ze de ingang van een grot leken te vormen en in de diepte van die grot schitterde het dan van een zachtrood licht. Dat was wat Johannes zou willen. Kon ik daar maar in vliegen! dacht hij dan. Wat zou daar wel achter zijn? Zou ik daar ooit, ooit kunnen komen? ...

Gustav Meyrink


Liefhebbers van Gustav Meyrink's werk wil ik er graag op wijzen dat de School van het Gouden Rozenkruis - LS - op 3 mei as een symposium inricht rond deze belangwekkende auteur en zijn werken:


TERUG NAAR DE BRON
Gustav Meyrink Renova, Bilthoven, zaterdag 3 mei
Het voorjaarssymposion van het Lectorium Rosicrucianum neemt u mee naar de fascinerende en in bevrijdend opzicht zo belangrijke periode van de eerste dertig jaar van de vorige eeuw. Enkele belangrijke ontwikkelingen, waaronder de oprichting van de moderne School van het Gouden Rozenkruis, vinden in die jaren plaats. Centraal in dit symposion staat de Praagse schrijver Gustav Meyrink.


Informatie kan je HIER vinden

woensdag 19 maart 2008

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

Plechtig doen alleen onnozele halzen, dat is bekend.
Wie niet in staat is om in de humor de ernst te voelen, die is ook niet in staat om de valse "ernst", die een schijnheilige kwezel als het één en alles van het leven beschouwt, humoristisch te vinden, en zo iemand wordt het slachtoffer van de geestdriftwekkende leugens, de zogenaamde "levens idealen ".
De allerhoogste wijsheid waart rond in het narrenkleed! ­Waarom? Omdat alles wat men eenmaal als "kleed" en niets anders dan "kleed" heeft herkend en doorzien, - ook het lichaam - , noodgedwongen alleen maar een narrenkleed kan zijn. Voor een ieder die het ware "ik" zijn eigendom noemt, is het lichaam een ook dat van anderen: een narrenkleed, verder niets.
Dacht u, dat het ik het in de wereld kon uithouden als de wereld werkelijk zo was als ze er in de ogen van de mensheid uitziet?

Gustav Meyrink (1868-1932), Walpurgisnacht

Manfred Kyber - Die Toten/de doden.

De doden.

De doden stierven niet, slechts hun omhulling.
Hun lichaam verging, hun geest en wil blijft leven.
In jou komen ze samen tot vervulling,
Waar ze de diepe stilte van jouw ziel beleven.

In jou en hen berust een koninkrijk,
Waar dood en leven met elkander fluisteren.
Daar kun je met het eigen denken tegelijk
De stille stemmen van je doden mee beluisteren.

En spreken kun je zoals 't eerder is geweest,
Geluidloos spreek je tot je doden.
Tweezijdig zijn de wegen van de geest,
De poort van het dodenrijk staat altijd open.

Sla binnen in je bruggen naar het dodenland,
De doden zullen met je saam de wereld vervolmaken.
Ga levend, wetend, met de doden hand in hand,
Opdat de hele aard vergeestelijkt mag raken.
Manfred Kyber (vert. Tom Delemarre)


Die Toten

Die Toten starben nicht. Es starb ihr Kleid.
Ihr Leib zerfiel, es lebt ihr Geist und Wille.
Vereinigt sind sie dir zu jeder Zeit
In deiner Seele tiefer Tempelstille.

In dir und ihnen ruht ein einiges Reich,
Wo Tod und Leben Wechselworte tauschen.
In ihm kannst du dem eigenen Denken gleich,
Den stillen Stimmen deiner Toten lauschen.

Und reden kannst du wie du einst getan,
Zu deinen Toten lautlos deine Worte.
Unwandelbar ist unseres Geistes Bahn
Und ewig offen steht des Todes Pforte.

Schlagt Brücken in euch zu der Toten Land,
Die Toten bau'n mit euch am Bau der Erde.
Geht wissend mit den Toten Hand in Hand,
Damit die ganze Welt vergeistigt werde.
Manfred Kyber

Met dank aan René voor het toesturen.

dinsdag 18 maart 2008

Gustav Meyrink, Walpurgisnacht (4)

"Mijn lied is een eeuwige melodie van vreugde.
Wie de vreugde niet kent, de zuivere, grondeloze, blije zekerheid, het oorzaakloze: ik ben, die ik ben, die ik was en altijd zijn zal, die is een zondaar tegen de heilige geest.
Voor de glans van de vreugde, die in de borst straalt als een zon aan de innerlijke hemel, wijken de spoken van de duisternis die de mensen begeleiden als de schimmen van vergeten misdrijven, begaan in een vorig bestaan, en die de draden van zijn noodlot weven.
Wie dit lied van de vreugde hoort en zingt,
die vernietigt de gevolgen van elke schuld
en laadt nooit meer schuld op zich,"

Gustav Meyrink, Walpurgisnacht

Manfred Kyber - Ein Dämon stand an meiner Wiege

Ein Dämon stand an meiner Wiege,
mein andres Ich, ein Kind der Nacht.
Er zerrte mich empor zum Siege,
zum Sieg, dem keine Freude lacht.

Mein Lied, ich hab es nicht geschrieben,
er schrieb es auf mit meinem Blut.
Und jene Frauen, die mich lieben,
sie küßten seine gift’ge Glut.

So müssen ich und sie verderben,
die ihre Seelen mir geweiht.
Denn niemals kann mein Dämon sterben –
sein Fluch ist die Unsterblichkeit.

Manfred Kyber

Manfred Kyber - Veronika's drievoudig licht

Veronika's drievoudig licht

Veronika is een klein meisje dat nog in contact staat met de "andere wereld". Zij groeit op bij haar moeder en tante Marietje, met Moetsepoes, de kat, en Pruik, de hond. In het tuinhuisje woont haar oom, Johannes de Zwerver. In de eerste jaren van haar leven is zij zich vooral bewust van de tuin der geesten: de grote tuin achter het huis waar zij praat met de vogels, de egels, de kevers en andere dieren en waar zij verschillende natuurgeesten ontmoet. Achter in de tuin is een onzichtbare zilveren brug die beschermd wordt door een engel.
Als zij opgroeit raakt zij het vermogen om de tuin der geesten te zien kwijt, en wordt het een gewone tuin. Zij leeft dan meer in het huis der schimmen, waar vele drempels en treden zijn, en waar zij bevriend raakt met Meester Mutsje. Zij ontmoet de grijze vrouw, die ze later een drempel over zal helpen, en sluit vriendschap met Piet, die de werkelijkheid niet begrijpt, maar wel een diep geloof bezit. Volgens oom Johannes, die veel inzicht heeft in de andere wereld, is Piet in een vorig leven een grote wijze geweest.
Door een aantal gebeurtenissen begint Veronika steeds meer te begrijpen van de betekenis van het leven. De joodse handelaar Aron Mendel weet eindelijk zijn zware last af te leggen, tijdens een zware ziekte leert Veronika een vorig leven in Florence kennen dat doorwerkt in het huidige, de kerk van Halmar wordt weer licht, en een grote brand in kasteel Irreloh markeert het einde van de dramatische invloed van Florence.
Johannes de Zwerver neemt uiteindelijk de last van Veronika op zich en zij gaat over de zilveren brug naar de andere wereld. Een nieuwe tijd breekt aan: middernacht is voorbij en het is morgen geworden.
(Nederlandse vertaling 1e druk: 1979; 6e druk: 1992)


Citaat:
Er was eens een tuin der Geesten, en daarin zat de kleine Veronika in het zand te spelen. Maar Veronica zag hem met heel andere dan gewone ogen, met de innerlijke ogen die zij uit de hemel had meegebracht.
Voor zulke ogen is iedere tuin steeds een Geestentuin, en de hele wereld één zee van leven en licht.
Wij allen hebben de aarde eenmaal zo gezien, met de innerlijke ogen, toen wij nog jonge kinderen waren.
Maar toen kwam de grote schemering voor ons, onze hemelse ogen sloten zich, en zo komt het dat wij alles vergeten zijn.
Maar ik wil u daaraan herinneren; ik heb het mijzelf uit schemering en duisternis weer te binnen gebracht.

maandag 17 maart 2008

J. Anker Larsen – 3. Met open deur - Citaat

"Het gebeurt wel eens, wanneer een arm man flink op zijn praatstoel zit, dat hij zich voor­over buigt en gedempt, maar een klein beetje trots, zegt: 'Weet u overigens wel, dat ik fami­lie ben van de graaf van Storborg?' En dan krijgt men tegen wil en dank de familierela­ties te horen. Ook ik kom nu met mijn deftige familie aanzetten. Deze is niet aan tijd of plaats of ras gebonden. Het is een clan, wiens leden onder alle hemelstreken te vinden zijn. Hij heeft geen uiterlijke kentekenen, maar dat hoeft ook niet; zodra wij elkaar slechts ontmoeten, weten wij er alles van. Het zijn de eeuwigheidsondervinders."

Met dank aan René van Blog ‘Het Groene Gezicht’, die dit waardevolle boekje van Antwerpen naar Friesland blies.

zondag 16 maart 2008

Illusies - De Avonturen van een onwillige Messias - Richard Bach

De band die uw echte familie
samenbindt is er niet een van bloed,
maar van eerbied en vreugde
aan elkanders leven.



Zelden groeien
leden van één familie
op onder hetzelfde
dak.



Alle mensen, alle
gebeurtenissen in uw leven
zijn er omdat u ze
zelf aangetrokken
hebt.
Wat u ermee verkiest
te doen is
aan u.

zaterdag 15 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

"Och - ja. De heldere vorst en de vriendelijke zon kunnen niet goed met elkaar overweg. Hun eerste ontmoeting is in de modder. Maar krijgt de zon eenmaal kracht, dan wordt de weg schoon - en men zal zien, dat die de helder­heid niet uitsluit. Het kan schijnen alsof er meer klaarheid was in de helderheid van de vorst - maar die brengt geen leven."



Hij ging naar haar toe, en een vraag, die nooit voor hem bestaan had, sedert hij volwassen werd, kwam nu voort uit zijn diepe verwondering:
"Madonna - leeft de mensch na den dood?"
Zij keek hem aan en zei:
"Eens vroeg mijn man mij er naar. Toen kon ik niets anders zeggen, dan dat die vraag niet voor mij bestond. Ik was zoo vol, zoo overstroomend vol van eeuwigheid, dat de dood mij niet aanging. Nu kan ik antwoorden, dat ik er niet aan kan twijfelen, dat de mensch leeft na dat, wat u den dood noemt.""
"Het kost mij moeite, om mij een eeuwig leven voor te stellen" zei hij.
"Dat is ook niet iets, wat men zich voor moet stellen" zei zij, "het is een zekerheid, waar men zich toe op moet leven. - Ja, nu hebt u een vriendelijken, ongeloovigen glimlach. Als een man van de wetenschap komt zeggen, dat hij goud kan maken, gelooft u hem, maar als ik zeg, dat ik in het eeuwige leven leef, gelooft u mij niet:"
"De man van de wetenschap kan gecontroleerd worden," zei hij – “zoo niet door mij, dan door zijn gelijken:"
"Ik kan ook gecontroleerd worden" antwoordde zij, “z00 niet door u, dan door mijn gelijken. Zij, die het leven hebben, kennen het, wanneer zij het in een ander zien.”

vrijdag 14 maart 2008

Over de onzichtbare dingen - Paracelsus

Laat de doden met de doden omgaan, houd jij je bij de levenden. Wat na­tuurlijk is, staat met elkaar in verband, en evenzo wat heilig is.

Als een heilige je wil verhoren en gezond maken - gesteld, dat dit zou kunnen -, dan zou hij je niet naar zijn graf trekken, maar naar jouw hart, want daar komt men het dichtst in de buurt van een heilige.

De doodgravers hebben natuurlijke lichamelijke werkingen heilig genoemd. Het is aan hun gestichten en kloosters goed te zien, waarom zij dat gedaan hebben. Zij hebben gepredikt over heiligen en daarbij slechts het lichaam voor ogen gehad. Satan heeft ze daartoe gebracht, zodat ze op die manier hun bezit konden vermeerderen. Zo hebben zij ervoor gezorgd, dat men niet wist, dat het niet de heiligen zijn die deze werken doen, maar dat de natuur ze doet, waartoe toch ook het lijk behoort.

Laat men zich steeds voor ogen houden, hoe wonderbaar de mens is gemaakt, en schrijf alles toe aan de natuur van die lemen massa, die de mens is. Om het verschil tussen het lichamelijke en het heilige nader te preciseren, geef ik de volgende kenmerkende punten van verschil aan: Het lichaam is in de aarde, het heilige in de hemel. De werkingen van dat wat in de aarde ligt, zijn natuur­lijk, terwijl die van het hemelse bovennatuurlijk zijn. Als nu de heilige op de jongste dag zal opstaan en in een lichamelijke gestalte rekenschap afleggen van zijn leven, dan moet zijn lijf verheerlijkt worden. Wat betekent de verheerlij­king van het lichaam nu anders, dan dat de natuurlijke krachten ervan worden weggenomen. Waarin onderscheidt een heilige zich in feite van anderen, dan alleen daarin, dat hij verheerlijkt is, dat wil zeggen, dat er niets natuurlijks meer aan hem is, terwijl ik vol zit met de algemene natuurlijke eigenschappen. Hoe zou een heilige, als hij de natuurlijke krachten in zich had, iets heiligs kunnen verrichten? De kracht van de natuur is zo wonderbaar, dat het volk haar al gauw voor heilig houdt.

Wie werd op aarde verheerlijkt, zodat de dood hem voorbij gaat, die in zijn verheerlijking niet pas aan het begin van zijn heilige krachten stond? Wat echter niet verheerlijkt is, is geheel van de natuur. Wat afgeleid is van de leem­kluit, moet weg.

Paracelsus – De Causis morborum invisibilum (over de onzichtbare dingen)

donderdag 13 maart 2008

Illusies – De avonturen van een onwillige messias - Richard Bach

Leren is ontdekken wat u reeds weet.
Doen is laten zien dat u het weet.

Onderwijzen is anderen eraan herinneren
dat ze het net zo goed weten als u.

U bent allen leerlingen, doeners, leraren.

Uw enige verplichting in elke levensspanne
is trouw aan uzelf te zijn.

Trouw zijn aan iemand of iets anders
is niet alleen onmogelijk,
maar het teken van een valse messias.

De simpelste vragen
zijn de diepzinnigste.
Waar bent u geboren?
Waar is uw huis?
Waar gaat u heen?
Wat doet u?
Denk af en toe eens over die dingen na
en zie uw antwoorden
veranderen.

U onderwijst het best
wat u het meest nodig hebt te leren.

U wordt tijdens uw leven geleid
door het innerlijke lerende schepsel,
het speelse geestelijke wezen
dat uw ware ik is.

Wend u niet af van mogelijke toekomsten
voor u er zeker van bent
dat u er niets van kunt leren.

U bent altijd vrij van gedachten te veranderen
en een andere toekomst te kiezen,
of een ander verleden.

Richard Bach - auteur van Jonathan Seegull

woensdag 12 maart 2008

De Onsterfelijken - Hermann Hesse


De Onsterfelijken

Steeds weer stijgt er uit de aardse dalen
rook van levensdrang ons tegemoet;
wilde nood, en zatte overvloed,
bloedige roes van duizend galgenmalen,
kramp van lust, begeerte die blijft branden,
Moordenaars en woekeraars en biddershanden.
Een door angst en lust gestriemde mensenzee
stinkt beklemmend, rottig, rauw en wee,
ademt wilde bronst en gelukzaligheid,
vreet zichzelf en heeft zich zo weer uitgebraakt.

Broedt oorlog uit, en kunst vol tederheid
heeft het brandend vreugdehuis vals opgemaakt,
slingert, knaagt, hoereert zich door de schelle
kermisvreugde van haar kindertijd.
Wil voor ieder uit de golven wellen
net zoals zij elk tot drek herleidt.

Wij hebben evenwel elkaar gevonden
in het sterdoorglansde hemelijs,
kennen er geen dagen, geen seconden,
zijn noch man noch vrouw, noch jong noch grijs.
Jullie zonden, geilheid, moord en angsten
zijn voor ons een schouwspel, van dezelfde waarde
als van zonnen, draaiend om de aarde,
en voor ons is elke dag de langste.

Stil naar jullie trillend leven knikkend,
stil naar wentelende sterren blikkend,
ademen wij de winter van de kosmos in,
zijn wij vrienden van de hemeldraken;
Koel en star zijn wij, zonder einde of begin,
koel ons eeuwig lachen nu de sterren blaken.

Hermann Hesse

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

Marthe was veel alleen en zag er nadenkend uit. Als timmerman Hansen haar nu gezien had, zou hij zich bezorgd gemaakt hebben, want het was duidelijk, dat zijn kleine, bekrompen Marthe diep nadacht. Zij liep te peinzen over het goede - niet zoozeer het goede, dat wij zoo in het algemeen voor elkaar doen kunnen en dat wij best weten. Neen, maar dat eigenaardige goede, dat zich niet opdringt, maar soms stil naast ons staat en geen bepaalde bedoeling heeft, voor ­zoover wij zien kunnen, maar dat toch, op het oogenblik, dat wij het voelen, het heele leven waard is.

Soms, wanneer zij voelde, dat het zoo "stil en goed vlak naast haar stond" gebeurde het, dat zij "in den put viel" en lang beneden bleef. Wanneer zij weer boven kwam, was zij er onwrikbaar van overtuigd, dat wij ter wille van dit stille goede hier op de wereld zijn.
Maar het was immers totaal mis met de heele aarde. Zij verzonnen en deden maar en namen zooveel ruimte in, dat er niet de minste plaats overbleef voor het goede.

Voor zoover zij zien kon, was het zelfs bezig uitgeroeid te worden uit de wereld, evenals bijvoorbeeld de Indianen uit Amerika. Want als zij zag, wie er vooruit kwamen op de wereld en hoe zij vooruit kwamen, dan was het warempel noch door het goede, noch voor het goede. En de jeugd, die toch de toekomst was, dacht niet in het allerminst aan wat goed was, maar aan wat leuk was - en verder aan "op hun recht te staan," en zij haastten zich om nog wat meer recht te krijgen om op te staan.

Ja, er konden bepaald tijden zijn, dat zij dacht: als een mensch het eens wagen zou om zich voor te nemen om niet anders dan goed te willen zijn - dan zou het leven hem er wel gauw voor straffen. Maar dan schoot het haar te binnen, dat het absoluut dringend noodzakelijk was, dat iemand dat toch op zich nam - wat het ook kosten mocht.

Als zij hierover nadacht, placht er een koppige uitdrukking op haar gezicht te komen. Zij zag er uit, alsof zij bezig was haar dienst op te zeggen aan een meesteres, waar zij niet bij dienen wilde. .
Op zekeren dag schoot het haar plotseling uit den mond, moedig en sterk keek zij uit haar heldere oogen: "Ik durf best! Ik durf best goed te zijn!'
Het lijkt zoo niets. Maar voor Marthe was het een levens­kwestie, die beslist werd. Er gebeurde geen verandering met haar, zij was zichzelf alleen helder bewust. Het was haar te moede, alsof zij een verlaten kind geadopteerd had, dat al te voren bij haar in huis was geweest - maar tot nu toe zonder verantwoordelijkheid. Nu had zij het stille, belangeloos goede aangenomen en zou er de verantwoordelijkheid wel voor weten te dragen. Marthe had een besluit genomen - en dan konden ze haar voor de rest beide handen en voeten en zelfs het hoofd afhakken, maar haar er toe krijgen om te verzaken, dat konden ze niet.

Gustav Meyrink – De Golem (2)

Alleen spookachtige dingen hebben een schrikaanjagende uitwerking op de mens. Het leven schuurt en brandt als een haren pij, maar de zonnestralen van de wereld van de Geest brengen mildheid en warmte.
Ook een zilveren spiegel zou, als ze gevoel bezat, alleen pijn lijden bij het polijsten.Eenmaal glad en glanzend geworden, weerkaatst ze alle beelden die erop vallen, zonder smart of opwinding. Zalig de mens, die van zichzelf kan zeggen: ik ben gepolijst. 'Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heer.'
De mensen gaan geen weg, noch van het leven noch van de dood, zij verstuiven als kaf in de storm.In de Talmoed (Joods geschrift) staat: 'Alvorens God de wereld schiep, hield hij de wezens een spiegel voor; daarin zagen zij de geestelijke smarten van het bestaan en de vreugden die erop volgden. Toen namen sommigen de smarten op zich. De anderen echter weigerden en die schrapte God uit het boek der levenden.'
Jij echter gaat een weg en hebt die uit vrije wil betreden, je bent door jezelf geroepen - ook al weet je dat nu zelf niet meer. Wees niet bedroefd: langzamerhand, naarmate het Weten komt, komt ook de herinnering. Weten en herinnering zijn één.
-----
Wie niet om de Geest roept met alle atomen van zijn lichaam - zoals iemand die dreigt te stikken om lucht - die kan de geheimen Gods niet schouwen.
----
Iedere vraag die een mens kan stellen, is op hetzelfde moment beantwoord, waarop hij haar in de geest gesteld heeft.
Het gehele leven is niets anders dan vorm geworden vragen, die de kiem van het antwoord in zich dragen - en antwoorden die zwanger zijn van vragen.
Alle mensen met een en hetzelfde medicament te genezen is uitsluitend het voorrecht van de doktoren. De vraagsteller krijgt dat antwoord, dat hij nodig heeft: anders zou elk schepsel niet de weg van eigen verlangen gaan.
Gelooft u dan dat onze Joodse geschriften slechts uit willekeur uitsluitend in medeklinkers geschreven zijn? Ieder moet voor zichzelf de geheime klinkers erbij vinden, die hem de slechts voor hem bestemde zin ontsluieren - wil het levende woord niet tot een dood dogma verstarren.

dinsdag 11 maart 2008

Pauls Ontwaken - Frederik van Eeden

Verhoor mij nu, mijn kind! Geef uwen vader kracht
Verlicht zijn ziel bij dag, versterk zijn geest bij nacht!
dat hij voortaan zijn werk, in ’t leeven dat hem rest,
voltooye vast en zuiver tot ons aller best.

Nu gij hier niet meer zijt, maar leeft in ander Licht,
Zoo zend mij dan somwijlen nog een licht bericht,
Ontstijg mij niet te ras in ál te lichte sfeeren,
de Vader kan de hand des Zoons nog niet ontbeeren.

Geurlooze, witte bloemen zullen voor u bloeyen
en handen liefdevol wegneemen wat verflenst
en in de heesters die wij op uw graf doen groeyen
zullen de vogels nest’len, als ge ’t hebt gewenscht.

“Slaap in! nu komt de rust!” zoo sprak mijn bang verstand
toen hij de Roep des Eeuw’gen wachtte aan ’s Leevens rand.
Maar hij sloot de oogen niet – hij oopende ze wijd
en hield zijn laatste kracht voor oovergang bereid

de machtelooze vingren vouwend in gebed
totdat zijn blijde ziel verlost was en gered.
Zoo werd door hem mijn ijdel woord te schand gemaakt:
Hij is niet ingeslapen – maar in ’t Licht ontwaakt.

O milde maning van zijn Engel-zachten lach,
toen hij de tranen op zijn doodsbed vallen zag:
“Denk dat wie ál te droevig om mijn heengaan schreit
de vreede zou verstooren van mijn zaligheid.”

Beklaag mij om mijn tranen niet, geheiligd kind!
Gij weet dat in dien vloed mijn hart zijn vreede vindt,
die alle bitterheid versmelt en al wat schrijnt
verzacht als in uw ziel bij uw zachtmoedig eind.

Hoe zijt gij mij voorbij-gestreefd met koene vaart,
gij die mijn teeder smartekind op aarde waart!
Gij hebt op mij vertrouwd, den Wil zou ik u geeven
En zie! nu baant gij mij den weg tot beeter leven.

Het licht was blank en koel, drie plechtig stille dagen,
tot ik het leedig lijf mee hielp ten grave dragen.
Het woud stond roerloos en de groote waereld scheen
vervuld van heilig Licht en met mijn voelen één.

O rechte zwarte weg! o zon-bescheenen heide!
waar onze stille stoet zijn lijk naar ’t graf geleidde.
Daar voelden wij zijn bijzijn in de lichte Sfeer,
Zijn Liefde kwam tot ons, de onze ging tot hem weer.

De Spooksels van den nacht die waren nu verzwonden,
de weg tot aan het hart des Eeuw’gen was gevonden,
De Zaal’gen hebben hem met liefde en troost begroet,
zooals een moeder dat haar jong-geboorne doet.

De Dood, waarvoor elk mensch met goede reeden huivert,
is als een vlammend vuur dat alle zielen zuivert,
dat snel verteert al wat verblinding is en waan
en tast alleen het schoone en werklijke niet aan.

Zoolang de Godheid Mensch, de Christus nog moet lijden
moet ieder sterflijk mensch zijn heil uit leed bereiden
en elk rampspoedig hart, als ’t maar in Liefde zwicht,
heft zich door Wijs Geloof uit Chaos tot in ’t Licht.


Uit: Paul’s Ontwaken - Frederik van Eeden - Amsterdam 1916 W. Versluys

maandag 10 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

"Zou jij eigenlijk wel weten, wat geloof is?" zei Nyeland. "Wat noem jij geloof?"
Marie dacht een oogenblik na en zei toen:
"Het eeuwige en het tijdelijke, het grenzeloze en het begrensde hebben elkander lief. Het geloof is de aantrek­kingskracht van het eeuwige en het tijdelijke tot elkaar, tot bewuste vereniging in het gemoed van een mensch. Het is een levende kracht, die niet berust op opvattingen of meningen, maar er vaak door belemmerd wordt.”

Ik ben immers geen denker, maar alleen iemand, die beleeft. En wat ik beleefd heb, is dit:
"Toen ik God niet meer in mijn eigen gedachten kleedde, toen ik niets anders van Hem wist, dan dat Hij is, maar niet datgene, wat ik van Hem denk, toen brak Zijn licht over mij uit.
Het was als het afnemen van de kap van een lamp, en zie, het licht zelf straalde rein en helder, en alle dingen op de wereld lagen in dit Licht, dat sterk is en door alle dingen heen dringt.
Mijn oogen kunnen het verdragen, tot mijn onzegbare vreugde.
Laat hen, wier oogen zwak zijn, de kap behouden; het is toch het licht zelf, dat er doorheen schijnt. Laat hen, die het noodig hebben, zich de beste denkbeelden van God maken; iets van Zijn wezen zal toch door hun nietige gedachten omtrent Hem heen schemeren.
Maar laat hen niet hun ideeën aan anderen opdringen, want de kap is niet het licht en hun gedachten omtrent God zijn niet God"