Posts tonen met het label A. Roland Holst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label A. Roland Holst. Alle posts tonen

zondag 3 januari 2010

Uit: Het gebed van den Harpspeler

O, als dit hart versaagt en wankelt, zend
het dan een teken
- een weerlicht in zijn leed -
dat gij niet heen zijt, dat gij mij nog weet
schelp van uw zee, zelf nietig wel en broos,
maar staag doorzongen van het eeuwig breken
voorbij dit leven, in een leegen tijd,
uwer geheimen zonder duur of rust
tegen die laatste kust...

een al bedwelmender eentonigheid
wereldvergeten, eindeloos...

A. Roland Holst

maandag 24 maart 2008

Adriaan Roland Holst - IN MEMORIAM Paul van Eeden.

VOOR ZIJNE MOEDER

Wat weten wij van nu tot aan dit sterven
dan dat de bloemen welken in de gaarde -
dan dat we elkander in de donkere aarde neerleggen,
eenzaam en weer verder zwerven?

Wat weten wij dan dat hij witte bloemen
gevraagd heeft toen hij wit en stil ging worden -
omdat de rozen van zijn bloed verdorden?
omdat geen stem zijn vrede meer kon noemen?

O vreemd vermoeden, dit: te zijn vergeten
het wonder dat zijn sterven kwam behoeden -
wat weten wij dan dat ons schoonst vermoeden
schoon is omdat wij nimmer kunnen weten.

En is dit verward zien, en dit gebroken
tumult van stemmen in het luide, leege,
iets bij het lied waarvan zijn lippen zwegen?
iets bij het licht waarvoor zijn oogen loken?

En toen de lelie van zijn witte zwijgen
door stilte's handen is omhoog genomen,
wisten wij hem voorbij ons verste droomen
voorgoed, en hoog boven ons duister zwijgen.

Achter zijn rusten stond het venster open
naar stille dennen en een ijlen hemel,
en er was geen geluid meer, geen gewemelvan kleuren,
en geen leed meer, en geen hopen -

Neen, niets meer dan zijn stilte waar wij zwegen
en hand in hand naar de ijle hemel zagen,
tot wij nog eenmaal uit het licht der dagen
ons naar de schemer van zijn stilte negen.

Adriaan Roland Holst

zondag 23 maart 2008

A. Roland Holst ( 1888-1976)

Wind en water wijd en zijd
houden dit eiland van verlangen
vreemd en glinsterend gevangen
binnen den tijd.

Bloemen en dieren weten het niet,
en het blijft hen onvernomen,
want de wind veinst in de bomen
een ander lied.

En de beken zingen het mee,
en alle de wateren lachen en klagen
of zij van eeuwigheid gewagen,
tot aan de zee.

En maan en zon
en de wolken gaan daarover,
en uit de regenbogen jubelt
nog eindelozer logen –

- wij alleen staan
bleek, met ogen leeg,
in dit vreemde spiegelbeeld geboren
van een rijk, dat wij verloren
achter den tijd.