Posts tonen met het label Frederik van Eeden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frederik van Eeden. Alle posts tonen
woensdag 1 juli 2015
dinsdag 19 oktober 2010
Frederik van Eeden - citaten
Hoe kan de mensch geheel eerlijk zijn, die maar een klein deel van zichzelf verlicht ziet door zijn besef?De huichelaar kan zich verbeelden geheel oprecht te spreken. Zijn handelingen strijden met zijn woorden, omdat ze ontstaan in zijn diepere natuur, waarvan hij zelf niets weet.
Daarom is ons de mensch, die ronduit voor zijn zwakten uitkomt, sympathieker, en minder gevaarlijk dan de schijnheilige, die idealen vasthoudt waaraan hij niet kan beantwoorden.
Frederik van Eeden – Bij ’t Licht der Oorlogsvlam (1915)
Frederik van Eeden - citaten
De wijze, zoekend zijn Hoogste Zelf, wil ook het kleine, tijdelijke Zelf verliezen om juist daardoor het gemeenschappelijke Zelf te vinden.Hij weet, dat de Lichtkring maar een klein deel van zijn Weezen beschijnt, - en dat het niet-belichte deel hem toch drijft, door hartstochten, neigingen en driften, soms tegen zijn redelijk denken in.
Hij zoekt daarom naar de harmonie tusschen zijn weeten, zijn Reede, en die onbesefte neigingen en driften. Daarbij steeds vertrouwend en gelovend dat een hooger Bewustzijn, wijzer dan hij zelf, zijn gangen stuwt en meer en meer zijn Weezen in zich opneemt.
Frederik van Eeden – Bij ’t Licht der Oorlogsvlam (1915)
vrijdag 25 juni 2010
Gedachten van Frederik van Eeden
13 Sept 1875.Ik verlang naar donkere groene bosschen met eikenboomen aan wier bladeren heldere druppels hangen, ik verlang naar rustige stilte, afgebroken door 't fladderen van een vogel of het kraken van takken. Ik verlang naar rotsen, waartusschen het water doorsijpelt en waarlangs schuimende beekjes afstroomen, ik verlang naar een stille, vochtige dampige lucht, een dof-geurend woud, een met gele bladeren bedekte grond. Ik wilde er ronddolen, luisterend en soezend, ik wilde er verademen en niet meer denken aan de bespottelijkhedenen dwaasheden van die wilde hoop schepselen, waartusschen ik ook leef en die tezamen de wereld uitmaken.
maandag 1 maart 2010
Citaten van Frederik van Eeden
Toen ik mijnen God vond, heb ik gezegd: ‘dit is de God der menschen niet. Den God waarvan menschen praten vind ik niet, die is geen God, een schijnbeeld.’En men heeft mij niet verstaan en mij boos bejegend.
Frederik van Eeden - Johannes Viator
---
'Zijt gij Jezus, zijt gij God?' vroeg Johannes.
'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'
Frederik van Eeden - De Kleine Johannes
'Noem die namen niet,' zeide de gestalte, 'zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrekleederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven.'
woensdag 20 januari 2010
OP DE PIJNBANK
Getrouwe harten, die in mij gelooft,weest niet ontrust, de weemoed is een vriend
die tot geneezing en verheffing dient
en 't valsche licht van den Bedrieger dooft.
Dit weet Verstand, al blijft Gevoel weeklagen
en naar den noodzaak van den Gruuwel vragen.
Liefd'rijk te troosten heb ik lang getracht
de veelen, die de weemoeds-last bezwaart,
Ik ried hen stil te dulden, onvervaard,
de pijnen om hun reinigende kracht.
Toen stond mijn leeven nog in blijden luister,
nu kerm ik zelf, machtloos in ijzig duister.
Nu lig ik zelf op 't folterhout en ril
bij ‘t zien der heete tangen, rood van Gloed,
maar 'k schreeuw het uit: als pijn God looch'nen doet,
gelooft het niet - 't gaat teegen eigen wil.
Een wijl mag mij het vagevuur verblinden
ik weet: mijn Redder leeft, en 'k zal Hem vinden.
FvE - October 1919 - www.frederikvaneeden.nl
zondag 17 januari 2010
zondag 3 januari 2010
Dagboek citaat - Frederik van Eeden
Het is toch alles maar om een paar jaren te doen en dan komt het herdenken, in eeuwigheid herdenken.Dit woord treft mij, als had ik een nieuwe diepe waarheid gezegd. ▫ De toekomstige eeuwigheid zal bestaan in herdenken, eeuwig, vreedig, rustig herdenken. Het begrip ‘herkauwen’ is er niet zoo ver van af. Hélène Swarth gebruikte dat woord eens in een vers, en ik bespotte haar. ▫ Maar misschien bespot zij mij later. Als wij aan 't herkauwend leeven toe zijn. In dit leeven grazen we. ▫ Dan denk ik ook dat er veele nuances van herkauwen zijn, of liever: dat ieder alleen te herkauwen krijgt wat hij gegraasd heeft. ▫ Dit is de eeuwige Gerechtigheid. De dood-eenvoudige, door en door simpele empirie van onze wijsheid.
Ik voel, zoo moet het zijn, het kan niet anders. ▫ Alle emoties, indrukken, reëele gevoelens en gedachten, die zijn door ons opgenoomen en moeten nu verwerkt en geassimileerd worden. ▫ Welligt worden we geholpen door hooger weezens, maar daarvan weeten we weinig. De fout der Kerk is te véél te verklaren. Wij kunnen niet weeten, wat we niet ondervonden hebben.
Pater Potters zegt in zijn verklaring van den catechismus, dat de aanweezigheid van smart in de schepping niet verklaard kan worden, maar een geheim is van God. ▫ De Pater begrijpt blijkbaar niet, wat ik toch al vrij scherp formuleerde, dat vreugd het klaarblijkelijk doel is van de Schepping en dat dat doel onbestaanbaar is zonder smart. Wie dit zoogenaamde Godsgeheim niet als van zelf spreekend voelt, die heeft niet genoeg oover het weezen der Smart nagedacht. ▫ Het is of men zegt: ‘dat iedere medaille een keerzij moet hebben is een der onverklaarbare geheimen Gods’. Maar het verklaart zich zelf.
Frederik van Eeden - dagboek 1921
zaterdag 22 augustus 2009
Gedachten van Frederik van Eeden
- De gedachten van één enkelen wijze, tot dogma's versteend, hebben een groot volk vaak gedurende duizenden jaren, zoowel tot zijn nut als tot zijn schade, beheerscht.
- Meestal gaan wij wij schrijver erg bewonderen als wij in hem bedoelingen meenen te vinden die met onze eigen geheime bedoelingen overeenkomen, ook al verbeelden wij het ons maar.
- Ridderlijk, oprecht, zelfstandig-denkend, door dik en dun trouw te blijven aan eigen geweeten, en aan hetgeen men als goddelijke maning verstaat - dat is een opgaaf zóó zwaar, zóó geweldig en zóó gevaarlijk - dat niet één op veele duizenden in staat is, die taak vol te houden.
De Koninklijke Mens
De koninklijke mens volgt niemand, onderwerpt zich aan niemand, noemt geen mens, levend of dood, zijn heer en meester. Hij heeft zijn meester in de ziel. Hij is echter verheugd als hij een gelijkwaardige ontmoeten kan. Daar hij de menselijke zwakte in het begrijpen en uitdrukken kent, wil hij steeds leren, en onderwerpt gaarne zijn eigen gedachte aan de kritiek van een gelijkwaardige. Hem is geen moeite te veel om tot beter begrip van elkaar te komen. Hij wil niet meer schijnen dan hij is, hij wil niet groter schijnen of groter zijn dan anderen, hij wil niet meer macht hebben dan anderen, tenzij door de waarheid van zijn gedachten. Daarom wenst hij dat deze waarheid altijd weer op de proef gesteld en voltooid wordt en wie hem inlicht over een betere is zijn vriend.De koninklijke mens houdt van tegenspraak; want of zij versterkt zijn waarheid, of zij bevrijdt hem van een leugen. maandag 17 augustus 2009
Citaten van Frederik van Eeden
De samenstoot van werkelijk diep voelende, daadkrachtige en door innig begrijpen verenigde mensen zal genoeg zijn om overal de in grote massa opgestuwde kracht vrij te maken en het universele willen in daad te veranderen.Maar deze mensen moeten een aantal zeldzame eigenschappen hebben, zoals die reeds aangeduid zijn.
Zij moeten vrijheid van geest hebben, geduld om te willen begrijpen, hun hartstochten kunnen beheersen, moed en oorspronkelijkheid bezitten. Zij moeten belangrijk zijn en daadkrachtig, initiatief tonen en van een gloeiende liefde vervuld zijn. Het dringen en gisten dat de gehele mensheid beweegt, moeten zij sterker in zich voelen dan anderen.
De drijvende kracht die van een hogere bron afkomstig is, moet zich in hen duidelijker dan in de doorsneemensen openbaren.
Frederik van Eeden.
vrijdag 31 juli 2009
Citaten uit de dagboeken van Frederik van Eeden
Ik verlang naar donkere groene bosschen met eikenboomen aan wier bladeren heldere druppels hangen, ik verlang naar rustige stilte, afgebroken door 't fladderen van een vogel of het kraken van takken. Ik verlang naar rotsen, waartusschen het water doorsijpelt en waarlangs schuimende beekjes afstroomen, ik verlang naar een stille, vochtige, dampige lucht, een dof-geurend woud, een met gele bladeren bedekten grond. Ik wilde er ronddolen, luisterend en soezend, ik wilde er verademen en niet meer denken aan de bespottelijkheden en dwaasheden van die wilde hoop schepselen, waartusschen ik ook leef en die tezamen de wereld uitmaken.13 September 1876 (16 jaar)
ets Frederik van Eeden
donderdag 30 juli 2009
Citaten uit de dagboeken van Frederik van Eeden
De mensch heeft een eigen, innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerscht en toch buiten die handelingen schijnt te staan. Die ikheid neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zoo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn. Het is soms een lastig ding, dikwijls wil de mensch het wegcijferen, tot zwijgen brengen en dan blijft het toch soms zoo krachtig spreken.De ziel kan ik het niet noemen, het geweten ... ja! dat is het eigenlijk wel. Het is dat wat bedoeld wordt als men zegt: Keer tot u zelven in.
Iedereen verbergt het, men tracht zich wijs te maken dat men zich voordoet zooals men werkelijk is - maar de ikheid weet wel beter. Men wil er niet naar luisteren, men bedriegt zichzelven met verbazend talent - maar ‘keer tot uzelven in’ en de waarheid die uw eigen ik u verkondigt, zal u soms doen ontroeren.
dinsdag 10 september 1878 (18 jaar)
maandag 20 oktober 2008
Het Roode Lampje - Frederik van Eeden
5. De herfst is het symbool van de inkeer, van het besef van dwaling, van het deemoedige berouw, van de omkeer in richting, de terugkeer tot den Eeuwigen, die ons vrij liet, en nu juicht als wij den weg tot Hem weeder vinden.De zon met haar trawanten is het symbool van den Minnaar, die de zielen aan zich verbonden houdt door de zwaartekracht Zijner Liefde, al dwalen zij zoo ver af, dat zij Zijn licht niet langer kunnen zien. Maar zijn Liefde laat hen niet los. Nooit en nimmer. Dit kan men begrijpen zonder leerstelligheid, uit eigen stille beschouwing en ooverpeinzing. Ik zal trachten het neer te schrijven, in woorden, die zorgvuldig beproefd worden, om het gevaar van misverstand.Hoe schoon is het herfstgevoel. Geen Godsvreugde is sterker op aarde, dan die ontstijgt aan het stille, schoonverkleurende herfstwoud - en daarin de aandachtige, diep ingekeerde ziel.donderdag 18 september 2008
Het Roode Lampje - Frederik van Eeden
1. Nu komt de herfst, en daarmee de groote beproeving en het groote raadsel. Nooit is de stilte in het woud zoo veelzeggend. Welk een stemming in al wat leeft. 't Is of alles tot inkeer komt, alles peinst, alles verdiept zich. Het komt tot inzicht van een groote vergissing. Het woud, de neevel-omsluyerde weilanden, de diep-blauwe lucht, de blanke wolken, het bedenkt alles en voelt dwaling.
En wij armen, wij menschen, wij voelen de dwaling het sterkst, wij voelen haast niet anders, en wij zijn verwond, verbijsterd, verpletterd.
Het is of wij moeten smeeken tot woud en wolken, tot neevel en zonnegoud: 0 stilte! stilte! - om na te denken en te peinzen. Er is iets ontzettends gebeurd, wij hebben ons vergist. Het is alles waan en dwaling, onze vreugde, ons geluk, onze lusten en pretjes, alles waarvoor wij geworsteld hebben en gekampt. Alles fout! alles om niet! alles mis!
2. Hebt wat geduld, broeders en zusters, dit werk is geen werk der vertwijfeling. Wij dalen samen in de duistere diepten der gedachten. Wij zweeven ver weg, als een komeet, tot aan de ijle donkere grenzen van het Universum. Ademloos wachten de heemelingen op den terugkeer, al is 't van één enkele arme ziel. Rustig wacht de eeuwige Minnaar, kennend zijn Liefde, die verder reikt dan de grenzen der oneindigheid. Langsaam doorzweeven wij de verre baan. Totdat de kreet weergalmt: "Hij keert! Hij keert!" Het gejuich vervult de heemelen, de Minnaar breidt zijn vertrouwelijke armen uit en de glimlach van zijn ontzachlijke vreugde verlicht de duisterste ruimten van chaos.
En dat alles om één enkele arme ziel, die terugkomt.
lees HIER verder
donderdag 31 juli 2008
Sprokkels
Ach, menschen, waant ge u wezens met verstand,tot doen door redelijken drang gedreven?
Wat zwoegt ge dan, tot u een handvol zand
de lippen sluit, voor 't ijdelst van uw leven?
Wat kwelt g' u nog, moedwillig dom en blind,
om dingen die ge weet dat u begeven?
Frederik van Eeden – Een Lied van Schijn en Wezen.
dinsdag 22 april 2008
Frederik van Eeden - dagboekfragment
Het tragische in ons leven is een noodzakelijk gevolg van onze bestemming, die niet is ons individueel welzijn. Aan die bestemming wordt ons persoonlijk bestaan zoo noodig onverbiddelijk geofferd. Het tragische ontstaat dus vooral dan wanneer wij zoo rechtstreeks mogelijk onze bestemming volgen. Maar dan ontstaat ook tevens het hoogste geluk, door de innerlijke voldoening. Terwijl het niet volgen van onze bestemming, maar het zoeken van persoonlijk welzijn eerst, de tragiek soms wel vermijdt, maar in plaats daarvan den dood vindt, het uitdooven, het verdorren en verzanden, erger dan de hel. Het zoeken van persoonlijk welzijn is dan alleen gerechtvaardigd als het gedaan wordt om beter aan onze bestemming te voldoen. Onze bestemming dat is de dienst van 't lichaam waarvan we cellen zijn.Frederik van Eeden - een droom
- De droom van 30 Nov. 1905 herinnert aan het slotvizioen van De kleine Johannes of aan de Lichtstad: "Hedennacht de schoonste heldere droom, die ik ooit gehad heb. Het was zo duidelijk, zo groots, zo rijk, en zo overweldigend, dat ik geheel verbluft was en nagenoeg sprakeloos.'t Enige wat ik uitriep was: "O! hoe zal ik dit alles beschrijven! Want het vertoonde zich in een volheid en verscheidenheid, die me geen tijd liet tot nauwkeurig opmerken. Het was een landschap en wereldstad tegelijk. Een ontzaglijke vallei, waarop ik van bovenaf neder zweefde, komende van een hoge berg. En die vallei was vol bomen, groen, bloemen, gebouwen, beelden en mensen. Vlak voor mij was een reusachtige azaleaboom, geheel met rode bloemen overdekt, verderop een zeer lange arcade die van boven af neer liep tot de bodem van het dal. hij was met klimop begroeid. Dan een witte tempel met zeer lange, dunne witte pijlers, enorm hoog en ook met klimop begroeid. In 't midden van het dal stond een reuzegroot bronzen beeld, alleen een kop, ik zag de zon er op glanzen. En verder overal gebouwen en duizenden, duizenden mensen. En dat alles te samen gaf een indruk van geluk en schoonheid, die onbeschrijfelijk was. Ik riep maar: "Hoe heerlijk, hoe heerlijk!" Tweemaal zag ik het, en de tweede maal zag ik de met klimop begroeide arcade van een andere kant, van terzijde. Ik deed mijn uiterste best alles goed op te merken, om het te onthouden en te beschrijven. Maar ik voelde dat het boven mijn kracht zou gaan. En de schoonheidsaandoening was de tweede maal zo hevig, dat ik uitriep: "Het is te heerlijk! ik kan het niet dragen!" En toen voelde ik, dat het mij ontging en dat ik wakker moest worden. Ik ontwaakte ook, nog sterk ontroerd en aangedaan, en poogde mij alles te binnen te brengen."
Illustratie: Johfra-Bosschart
donderdag 10 april 2008
Frederik van Eeden - Nu mocht ik liever hier vandaan
En slapen gaan, en slapen gaan
Bij mijnen lieven Here --
Het leven wordt toch waar ik toef
Naar mijn behoef wel veel te droef
Dan dat ik 't meer begere.
Doch wordt mij, lacy! niet gevraagd
Of 't mij behaagt, of 't mij behaagt
In zo groot leed te leven --
En schoon 't geplaagde hart al niet
Van zulk verdriet de reden ziet
Toch moet ik verder streven.
Maar wie zal keren 't droef gemoed
Dat schreien doet, dat schreien doet
Om eindelijk erbarmen --
Of toch de goede Herder kwam
En 't arme lam nu mede nam
In zijn vertrouw'lijke armen!
Frederik van Eeden - Eens heb ik de dalende zon gevraagd
Te wachten,
Eens heb ik van dichte nachtschaduw
Het luchte, vluchtige vlieden beklaagd,
En nu! - en nu! -
Nu glijden de tijden zo langzaam aan,
De dagen, de tragen, zij willen niet gaan,
En lang - lang - lang zijn de uren der nachten.
Eens hield ik de goudene uren te goed
voor klachten,
Eens vulde ik de levenden, helderen dag
Met bloemen en blijheid en liederen zoet
Maar ach! - maar ach! -
Nu zullen zich vullen zo nacht als dag
Met bange gezangen en droef geklag,
En lang - lang - lang zijn de uren der nachten.
foto: deze avond in Sneek
Abonneren op:
Posts (Atom)


