Posts tonen met het label Licht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Licht. Alle posts tonen

zaterdag 10 april 2010

Het Licht der wereld

Binnen in u is het licht der wereld.
Als ge niet in staat zijt het binnen u zelf waar te nemen, is het onnodig er elders naar te zoeken.
Het is onbereikbaar, want het wijkt steeds terug.
Ge kunt het licht binnengaan, maar de Vlam zult ge nooit bereiken.
Zoek naar de weg.
Zie uit naar de bloem, die opbloeit in de stilte, welke volgt op de storm - niet eerder.
En in de diepe stilte zal de mystieke gebeurtenis plaats grijpen, die zal aantonen dat de weg gevonden is.



Mabel Collins in "Licht op het Pad"

zaterdag 1 november 2008

DELF MIJN GEZICHT OP

Licht ben je. Jij doorgraaft me
tot de bodem

waar jij komt
wordt afgrond zichtbaar

waar je gaat valt nacht
wordt alles niets.

Dan tuurt een mens zich gek
en ziet geen moer

maar jij komt terug met kracht
en wij bestaan weer.

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie mij ontmaskert zal mij vinden.
Ik heb gezichten, meer dan twee,
ogen die tasten in den blinde,
harten aan angst voor angst ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden
en zal zichzelf opnieuw verstaan
en leven bloot en onomwonden,
aan niets en niemand meer ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

Huub Oosterhuis

zondag 12 oktober 2008

EEN LICHTSTRAAL VAN DE ZON

Alle smart wordt geboren uit het feit dat men het leven niet absoluut vrij door zich heen laat stromen. Pijn werd uitgevonden door een mensheid die haar supe­rioriteit over het leven, of met andere woorden over een volmaakte gedachte, wilde bewijzen. Pijn en droefenis zijn jullie alarmsignaal, het teken dat je de fout begaat om koste wat het kost te tonen wie je denkt te zijn en wat je kunt doen.

Mannen en vrouwen, zie je, zijn constant op zoek naar een publiek dat het beeld van hun eigen grootsheid weerkaatst. Koste wat het kost willen ze applaus krij­gen van het leven; ze willen dat het leven absoluut iets denkt over hen. Dit gedrag wordt door ieder van jullie gevoed, zelfs binnen de bescheidenheid van een kloos­ter. Als een kluizenaar er niet op uit is om bewonderd te worden door de massa, hoopt hij toch stilletjes dat God hem zal opmerken; zodoende bevestigt hij de wet van het getal twee, de wet van het leven tegenover zijn eigen persoonlijkheid.
Aan die kwaal lijden jullie: de verering van de twee. Die vergissing heeft haar werk gedaan, maar nu maan ik jullie om jullie innerlijke re­denaties om te gooien.

Er is niet jullie én het leven; er is niet jullie én de ande­ren, er is zelfs niet jullie én het Grote Al dat men God noemt. Er is een enkele elementklank, elementlicht waarvan jullie deel uitmaken, maar die uit elkaar spat zodra het mentale de pretentie heeft om het te ontle­den, te omvatten, te beoordelen en zich er uiteindelijk aan te onttrekken.

Het goddelijke geeft jullie leven, maar jullie geven ook leven aan het goddelijke. Dit hoeft jullie niet te shocke­ren als je de eenheid van alle manifestatie begrijpt.

Anne en Daniel Meurois-Givaudan

zondag 23 maart 2008

Citaten van Carl Gustav Jung

Iedereen heeft een schaduw. Hoe minder deze in het dagelijks bewustzijn van het individu geïntegreerd is, des te zwarter en dichter is ze. Ze vormt in elk geval een onbewuste hinderpaal die zelfs onze beste bedoelingen verijdelt.

Datgene in onszelf wat we niet in ons bewustzijn laten doordringen, doemt in ons leven op als het noodlot.

Men wordt niet verlicht door zich allerlei beelden van licht voor te stellen, maar door zich bewust te worden van de eigen innerlijke duisternis.

Zolang de godsdienst alleen maar geloof en uiterlijke vorm is en de godsdienstige functie niet een ervaring van de eigen ziel geworden is, is er nog niets ingrijpends gebeurd. Men begrijpt nog niet dat het grote mysterie niet alleen op zichzelf bestaat, maar dat het hoofdzakelijk zijn grond in de menselijke ziel vindt.

zaterdag 1 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

citaat 3.
Hij zat in een hoek van zijn sofa met gesloten oogen; zijn ademhaling werd langzaam en regelmatig, zijn bewust­zijn scheen in scherpte toe te nemen, hoewel zijn gedachten als het ware verlamd werden door den diepen afkeer van alles, wat hijzelf was. Een voor een vertoonden zijn eigen­schappen zich aan hem, wekten zijn afschuw op en vielen als verdorde, waardelooze bladeren ter aarde.
Eindelijk werd het stil en toen had hij een gevoel, alsof hij ophield zichzelf te zijn.
Diep doordrongen van zijn eigen slechtheid zonk hij neer tot op den bodem van het niet, met het bevrijdende gevoel van niet meer te bestaan.

Zijn hoofd lag achterover geleund tegen den sofarug. Iemand, die de kamer binnenkwam, zou hem voor dood kunnen aanzien. Zelf voelde hij, dat hij langzaam, regel­matig en diep ademhaalde. Hij begon ook een gelukkige gezondheid in zijn ledematen te bespeuren, zooals men dit voelt, wanneer een ziekte haar macht verloren heeft.
Het nam toe tot een jubelenden overvloed van lichamelijk genot.
Een paar tranen rolden over zijn wangen, omdat het lichamelijke genot onmiddellijk overgegaan was in geestelijk geluk.

Een onuitsprekelijke goedheid stroomde als een golf van licht door zijn geheele wezen en hij kon deze niet onder­scheiden van zichzelf. Hij voelde zich gedragen door een liefderijke macht, die de geheele wereld droeg, staande hield en voorwaarts leidde, zoo innig er mede vereenigd, dat het niet mogelijk was het leven te onderscheiden van die machtige liefde zelf.

Zijn devotie was zoo diep, dat hij er niet aan kon denken om te knielen of zijn handen te vouwen. Maar hij opende de oogen, er toe gedreven door bijna al te veel innerlijk licht; en toen zag hij, dat het licht ook buiten hem was.
De geheele wereld lag in een stralend licht, dat geen schaduw wierp en dat door tafels en stoelen heen drong, zoodat hij er doorheen scheen te kunnen zien. Hij kon niet uitmaken, of dit allesdoordringende licht de goddelijke liefde zelf was, of iets wat bij haar behoorde, zooals het lichaam bij de ziel van den mensch. Maar - als het ware met behulp van dit licht - zag hij, dat de machtige liefde altijd en overal tegenwoordig is. Doch dat de mensch zich heeft weten te isoleeren van het bewusttijn hieromtrent, door middel van zijn zelf­genoegzaamheid. En dat geen mensch de kracht van zijn eigen zelfgenoeg­zaamheid vermoedt.
Ons even nabij als onze ademhaling, en toch zoo ver van ons verwijderd, dat wij kunnen twijfelen aan haar be­staan, is Gods liefde. ­