Posts tonen met het label dagboek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dagboek. Alle posts tonen

vrijdag 25 juni 2010

Gedachten van Frederik van Eeden

13 Sept 1875.

Ik verlang naar donkere groene bosschen met eikenboomen aan wier bladeren heldere druppels hangen, ik verlang naar rustige stilte, afgebroken door 't fladderen van een vogel of het kraken van takken. Ik verlang naar rotsen, waartusschen het water doorsijpelt en waarlangs schuimende beekjes afstroomen, ik verlang naar een stille, vochtige dampige lucht, een dof-geurend woud, een met gele bladeren bedekte grond. Ik wilde er ronddolen, luisterend en soezend, ik wilde er verademen en niet meer denken aan de bespottelijkhedenen dwaasheden van die wilde hoop schepselen, waartusschen ik ook leef en die tezamen de wereld uitmaken.

vrijdag 31 juli 2009

Citaten uit de dagboeken van Frederik van Eeden

Ik verlang naar donkere groene bosschen met eikenboomen aan wier bladeren heldere druppels hangen, ik verlang naar rustige stilte, afgebroken door 't fladderen van een vogel of het kraken van takken. Ik verlang naar rotsen, waartusschen het water doorsijpelt en waarlangs schuimende beek­jes afstroomen, ik verlang naar een stille, vochtige, dampige lucht, een dof-geurend woud, een met gele bladeren bedekten grond. Ik wilde er rond­dolen, luisterend en soezend, ik wilde er verademen en niet meer denken aan de bespottelijkheden en dwaasheden van die wilde hoop schepselen, waar­tusschen ik ook leef en die tezamen de wereld uitmaken.

13 September 1876 (16 jaar)
ets Frederik van Eeden

donderdag 30 juli 2009

Citaten uit de dagboeken van Frederik van Eeden

De mensch heeft een eigen, innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerscht en toch buiten die handelingen schijnt te staan. Die ikheid neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zoo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn. Het is soms een lastig ding, dikwijls wil de mensch het wegcijferen, tot zwijgen brengen en dan blijft het toch soms zoo krachtig spreken.
De ziel kan ik het niet noemen, het geweten ... ja! dat is het eigenlijk wel. Het is dat wat bedoeld wordt als men zegt: Keer tot u zelven in.
Iedereen verbergt het, men tracht zich wijs te maken dat men zich voordoet zooals men werkelijk is - maar de ikheid weet wel beter. Men wil er niet naar luisteren, men bedriegt zichzelven met verbazend talent - maar ‘keer tot uzelven in’ en de waarheid die uw eigen ik u verkondigt, zal u soms doen ontroeren.

dinsdag 10 september 1878 (18 jaar)

dinsdag 22 april 2008

Frederik van Eeden - dagboekfragment

Het tragische in ons leven is een noodzakelijk gevolg van onze bestemming, die niet is ons individueel welzijn. Aan die bestemming wordt ons persoonlijk bestaan zoo noodig onverbiddelijk geofferd. Het tragische ontstaat dus vooral dan wanneer wij zoo rechtstreeks mogelijk onze bestemming volgen. Maar dan ontstaat ook tevens het hoogste geluk, door de innerlijke voldoening. Terwijl het niet volgen van onze bestemming, maar het zoeken van persoonlijk welzijn eerst, de tragiek soms wel vermijdt, maar in plaats daarvan den dood vindt, het uitdooven, het verdorren en verzanden, erger dan de hel. Het zoeken van persoonlijk welzijn is dan alleen gerechtvaardigd als het gedaan wordt om beter aan onze bestemming te voldoen. Onze bestemming dat is de dienst van 't lichaam waarvan we cellen zijn.

Frederik van Eeden - een droom

- De droom van 30 Nov. 1905 herinnert aan het slotvizioen van De kleine Johannes of aan de Lichtstad: "Hedennacht de schoonste heldere droom, die ik ooit gehad heb. Het was zo duidelijk, zo groots, zo rijk, en zo overweldigend, dat ik geheel verbluft was en nagenoeg sprakeloos.
't Enige wat ik uitriep was: "O! hoe zal ik dit alles beschrijven! Want het vertoonde zich in een volheid en verscheidenheid, die me geen tijd liet tot nauwkeurig opmerken. Het was een landschap en wereldstad tegelijk. Een ontzaglijke vallei, waarop ik van bovenaf neder zweefde, komende van een hoge berg. En die vallei was vol bomen, groen, bloemen, gebouwen, beelden en mensen. Vlak voor mij was een reusachtige azaleaboom, geheel met rode bloemen overdekt, verderop een zeer lange arcade die van boven af neer liep tot de bodem van het dal. hij was met klimop begroeid. Dan een witte tempel met zeer lange, dunne witte pijlers, enorm hoog en ook met klimop begroeid. In 't midden van het dal stond een reuzegroot bronzen beeld, alleen een kop, ik zag de zon er op glanzen. En verder overal gebouwen en duizenden, duizenden mensen. En dat alles te samen gaf een indruk van geluk en schoonheid, die onbeschrijfelijk was. Ik riep maar: "Hoe heerlijk, hoe heerlijk!" Tweemaal zag ik het, en de tweede maal zag ik de met klimop begroeide arcade van een andere kant, van terzijde. Ik deed mijn uiterste best alles goed op te merken, om het te onthouden en te beschrijven. Maar ik voelde dat het boven mijn kracht zou gaan. En de schoonheidsaandoening was de tweede maal zo hevig, dat ik uitriep: "Het is te heerlijk! ik kan het niet dragen!" En toen voelde ik, dat het mij ontging en dat ik wakker moest worden. Ik ontwaakte ook, nog sterk ontroerd en aangedaan, en poogde mij alles te binnen te brengen."
Illustratie: Johfra-Bosschart

donderdag 3 april 2008

Dag Hammarskjöld - Merkstenen

Je bent niet de olie, niet de lucht - je bent slechts het verbrandingspunt, het brandpunt, waarin het licht geboren wordt.
Je bent niets dan de lens in de lichtstroom. Je kunt ont­vangen, geven en bezitten - zoals de lens het licht ontvangt, geeft en bezit, meer niet.
Zoek je jezelf, je eigen "recht", dan verhinder je de ontmoeting van olie en lucht in de vlam, beroof je de lens van haar doorschijnendheid.
Heiligheid - licht zijn of in het licht zijn, zelf niets meer zijn, zodat het licht geboren kan worden, zelf niets meer zijn, zodat het geconcentreerd en verspreid kan worden.

Je zult het leven kennen, en door het leven erkend wor­den, naar de maat van je doorschijnendheid - d. i. naar de maat van je vermogen om te verdwijnen als doel en alleen middel te blijven.
Dag Hammarskjöld - Merkstenen

zondag 2 maart 2008

Uit het Dagboek van Frederik van Eeden



Dinsdag 10 september 1878

Mag ik eens een vertoog over liefde houden.
Liefde is geen godheid, geen op zich zelf staand iets, het is geen demon die buiten de menschen om deze beheerscht en deze laat handelen naar zijn goedvinden, het is een eigenschap, een uiting van den mensch.
Hartstocht is een demon, een echte; een vreesselijke, onweerstaanbare macht die den mensch, die de kracht niet heeft hem van zich af te houden, meesleurt zonder zijn wil. Die in hem werkt zonder dat hij het zich bewust is, die zijn geest benevelt en zijn zelfstandigheid vernietigt. Dat is geen liefde.
Liefde is geen verlangen, geen vurige begeerte naar iets dat zij niet bezit. Dat is hartstocht. Hartstocht verdwijnt als zij het voorwerp van haar verlangen heeft. Liefde wil niets als het geluk van dat voorwerp en heeft geen onbevredigde wenschen noodig om te kunnen blijven bestaan. Mogelijk zijn er voor hartstocht diepere drijfveeren. Hartstocht ontstaat misschien door de zucht naar onsterfelijkheid, naar roem, naar geluk. Waarachtige liefde heeft geen drijfveeren, die ontstaat uit zichzelven. Waarachtige liefde denkt niet om haar eigen geluk, haar eigen verheerlijking. En toch maakt zij dengene die haar bezit gelukkiger dan hartstocht.
De mensch heeft een eigen, innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerscht en toch buiten die handelingen schijnt te staan. Die ikheid neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zoo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn. Het is soms een lastig ding, dikwijls wil de mens het wegcijferen, tot zwijgen brengen en dan blijft het toch soms zoo krachtig spreken.
De ziel kan ik het niet noemen, het geweten…ja! Dat is het eigenlijk wel. Het is wat bedoeld wordt als men zegt: Keer tot u zelven in.
Iedereen verbergt het, men tracht zich wijs te maken dat men zich voordoet zooals men werkelijk is – maar de ikheid weet wel beter. Men wil er niet naar luisteren, men bedriegt zichzelven met verbazend talent – maar “keer tot uzelven in” en de waarheid die uw eigen ik u verkondigt, zal u soms doen ontroeren.
Die innerlijke mens moet liefhebben, dat is ware liefde. Die ikheid moet gevoelen dat het geluk van een ander wezen hooger plaats bij haar inneemt dan haar eigen geluk. Die ikheid moet zich in staat gevoelen zich geheel, zonder eenige terughouding te openbaren aan een ander ik, en zij moet de kracht beseffen om alles voor dien ander te kunnen doen, te kunnen dragen. Die liefde die dan ontstaat beheerscht niet, ze wordt beheerscht. En de mens die liefheeft, laat zich niet door zijn liefde leiden, maar leidt haar. Die liefde uit zich dikwijls niet in woorden, dikwijls blijft het een lijdelijke, zwijgende vereering en is volkomen tevreden in het bewustzijn dat haar voorwerp gelukkig is.
Dit is misschien goed en edel, maar edeler is het toch zichzelf niet passief maar actief te toonen, naar wederliefde te streven en zoo te handelen dat men die liefde ook verdient. Dan verlangt de liefde wel naar iets, ook naar iets dat zij niet bezit, maar zou dan die liefde bij het bereiken van haar wensch teniet gaan? Ze zal nog oneindig krachtiger worden, in het bewustzijn dat een ander ik haar beantwoordt. Als dat heerlijke doel bereikt is, als twee wezens elkaar kennen, wezenlijk door en door verstaan, voor elkander leven en zich verheugen, omdat ze liefhebben en bemind worden, dan behoeft de liefde niets te wenschen, want ze is zeker dat ze haar ander ik zal behouden – en toch blijft ze bestaan.