Posts tonen met het label J. Anker Larsen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label J. Anker Larsen. Alle posts tonen

zaterdag 4 oktober 2008

Hemeltaal

Hij had een glimp gezien van datgene waar Broertje naar terug lag te kijken en waar hij zoo juist vandaan gekomen was. Dat was immers de hemel.
Zoo gebeurt het. Het is de hemel, waar wij vandaan komen; daar waren wij, voordat wij hier kwamen. Broertje kon het zich nog herinneren, was er waarschijnlijk nog bijna, wanneer hij sliep. Alleen kon hij niet praten en zeggen, wat hij zich herinnerde.
Toen glimlachte Broertje, en Jens wist, dat hij begreep, zelfs al kon hij niet spreken. Want er was dezelfde blijdschap in hen beiden. Er was niet het minste verschil tusschen. Zij herinnerden het zich samen.
En daarom moeten wij nog leeren praten, wanneer wij geboren zijn, want in den hemel spreken wij niet zooals hier. Wij zijn er zoo blij, dat wij geen woord zeggen kunnen. En het ook niet behoeven, want wij zien elkander maar aan en weten alles ineens. Zoo is de hemeltaal. Alles ineens, en blijdschap over alles. Meer is er niet. Wij kunnen het vanzelf.
Wij kunnen de hemeltaal ook niet vergeten. Maar wij kunnen vergeten, dat wij haar kennen. Hoe zou dat wel toegaan?
Hij keek om zich heen in de kamer en zag, hoe wonderlijk die was. Hij herkende dit wonderlijke. Zoo was ze eens geweest.

J. Anker Larssen

maandag 29 september 2008

HET EEUWIGE LEVEN IS EEN TOESTAND VAN DE ZIEL

"Tot de jonge mensen die daarvoor nog openstaan, zou ik willen zeggen: het eeuwige Leven is niet een land aan gene zijde van de dood, waar de zon nooit ondergaat en waar geen einde is aan het getal der jaren. Het eeuwige Leven - ik kan het niet genoeg herhalen - is een toestand van de Ziel en niet een voortzetting zonder meer. Het is 's levens diepste waarheid, die zich openbaart in en om het wezen van de tot heiliging gekomen mens.

Pas op voor al die goedbedoelende mensen, zij het op politiek, sociaal, maatschappelijk, religieus of wetenschappelijk gebied. Want er is haast niets dat zoveel kwaad veroorzaakt als het "goede", het opzettelijk goede, het betweterige, verwaande goede, dat de mensen zo nodig, koste wat kost, opgedrongen moet worden. En staar je ook niet blind op die eeuwig rinkelende liefdadigheid die zich in deze landen in allerlei vormen aan ons opdringt. Die is niet veel meer dan een hoofdpijnpoeder voor de verwijfde migraine der mensheid."

"Laat jezelf niet meer voor de gek houden. Verlies de moed niet, maar bouw vol vertrouwen in je hart een altaar voor de onbekende God. De dag zal komen, dat Hij zelf het heilige vuur zal ontsteken op dit altaar dat je vol verwachting voor Hem zult hebben gebouwd. Naarmate meerderen onder ons zich daarop zullen toeleggen, zal de geur der paradijsbloemen dieper bespeurd worden in deze armzalige wereld van tijd en ruimte.
Er zal een onopzettelijke tederheid in deze mensen geboren worden, die van hen zal uitstromen, zonder aanzien des persoons. Deze machtige tederheid is de Eeuwigheidszon die schijnt over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Dát is het onopzettelijk goede, dat het enig wáre goede is."
"Al zou men mij in ruil voor het verworven nieuwe leven alles aanbieden wat maar begeerlijk is in deze wereld, met de belofte dit voor altijd onbeperkt te mogen genieten, ik zou er hartelijk om lachen en de hele zaak op de mesthoop gooien."

J. Anker Larsen

woensdag 30 april 2008

J. Anker Larsen - 5. Roes

In dien tijd zag hij in zijn fantasie duidelijk hoe de nieuwe hemel en de nieuwe aarde opdoken en de duister­nis verlichtten. Nu zag hij het in de werkelijkheid, het gebeurde rondom hem, het bosch veranderde voor zijn oogen, zijn theorie, dat de mensch de werkelijkheid niet kent, werd levend leven: de boomen stonden op hun oude plaats en in hun oude gedaante, toch waren ze nieuw, alsof hij ze nooit te voren had gezien, hij zat onder een nieuwen hemel op een nieuw geschapen aarde en wist dat zoo de wereld er uit ziet voor hem die zonder schuld is.

Maar de medeschuldige, die liefde heeft, zal zich nooit lang schuldvrij voelen voordat al zijn broeders en zusters met hem den hemel en de aarde vrij van schuld kunnen beleven; want de menschheid is een een­heid met het middelpunt in ieder enkel ik, voor wien elk ander voorloopig nog slechts een jij is. Daarvandaan de verblinding en de strijd die duren zal, totdat we niet meer ontkennen of gelooven, maar door beleving weten, dat we eeuwige wezens zijn.
p 282

woensdag 23 april 2008

J. Anker Larsen - 5. Roes

Het werd haar duidelijk, dat het volkomen geluk maar een oogenblik leeft. Op hetzelfde oogenblik dat men het bereikt en zijn eigendomsmerk er op zet en zich veilig voelt, is er een worm in die er ongemerkt aan knaagt tot het uit elkaar valt. De liefde tusschen man en vrouw komt en verdwijnt, ze voert de heerschappij over men­schen, maar laat die weer varen, ze heeft geen eeuwigheid in zich. Dit is eigenlijk de grootste leugen die ooit is gezegd, maar wat geeft het, als alle menschen het als waarheid beschouwen.
P 130


Het is een schande dat het goede zoo vervelend is en het is leelijk, dat de verleiding zoo prettig is; maar het is heelemaal verkeerd als het prettige zoo mooi is, dat men gelooft dat het goed is. Dan valt men vroolijk, en men valt diep, als men met een goed geweten valt. Het is niet gemakkelijk om weer op te staan, als men niet weet dat men ter neer ligt.
P 135

zaterdag 19 april 2008

J. Anker Larsen - 5. Roes

De deugd is een goed iets, zoolang men haar niet aan­trekt als een kostbaar kleed en zich dan in een spiegel bekijkt. Doet men dat, dan staat de duivel oogenblik­kelijk achter je en maakt het in den rug los en plotseling en onverwacht ligt het kostbare gewaad op den grond; een naakte vrouw staat niet stevig op haar beenen, zijn er geen andere verleiders in de buurt, dan is haar eigen mooie lichaam verleiding genoeg. Er is niet altijd reden voor trots, mijne heeren verleiders, in verscheidene be­dwelmende gevallen was de gevallen vrouw gevallen voor haar eigen schoonheid, voordat gij er bij kwaamt als een noodzakelijk kwaad.
P 102

Er is niets in de wereld zoo goed als om goed te zijn, maar het is nog beter om met je tweeën goed te zijn; het best is het, dat merkt men in de praktijk, als men aan die goedheid toe kan voegen het zoete duizelige gevoel van langs een afgrond te loopen, waar de kleinste mis­stap het goede slecht kan maken. Zelfs het feit, dat men voorzichtig zijn voeten neerzet, voegt een duizelende goed­heid toe aan het goede duizelige gevoel.
P 108

J. Anker Larsen - 5. Roes

Zichzelf, dat is men toch altijd, dat weet men toch; maar hoe meer men het weet, des te minder is men het, dat merkt men - later. Zoo is het onverschillig, of men te lang in een spiegel heeft staan kijken, of dat men zich gespiegeld heeft in de bewondering van andere menschen; later komt het nadenken er over en dan voelt men zich beschaamd, dat weet men, zelfs al zou men het liever niet willen weten. Dan is er geen andere uitkomst, dan zichzelf te ontloopen en alleen maar te zijn, totdat men ontdekt, dat men nu werkelijk zichzelf is; geen spoor van spanning, integendeel, het allergewoonste dat op aarde gevonden wordt; maar dat doet er ook niet toe.
P 20

Alles in het dagelijksch leven van den mensch is Of wonder Of banaliteit, dat hangt af van het gemoed, dat ontvangt.
P 51

Daarna kwamen de struiken van aalbes en zwarte bes, hij liep tusschen hen rond, hij was in hun groen bestaan, veel in den tuin was nog zwart en grijs; maar het leven gebeurt in ons, we wachten en laten het gebeuren.
Toen kwam het leven der boomen te voorschijn in bladeren, en hij nam Louise mee in den tuin, ze was zoo blij om een appelboom, dat ze den stam moest aaien, hij voelde eenzelfde liefde voor den boom als voor haar; die kleine, liefkoozende hand die de hare was, verbond hem er mee, er straalde iets naar den boom uit van hen allebei, en hij was er van overtuigd, dat het op den boom inwerkte als het schijnen van de Zon. Het was zeker, dat de boom rijker bloesem zou zetten en sappiger vruchten zou dragen door deze warmtetoestrooming van het menschelijk gemoed.
P 55

vrijdag 11 april 2008

J. Anker Larsen - 4. Heiliging

Herinner je je de geschiedenis van Rasmus Praatvaar over den engel die met Adam kibbelde bij de poort van het paradijs?
Rasmus vergat iets, dat ik nu wil vertellen: Adam was bang toen de engel het zwaard trok; maar toen fluisterde de Booze: "Gooi de poort dicht!”
Dat deed Adam en de mensch was uitgesloten van het paradijs. Want alleen God zelf en de mensch, die naar zijn beeld geschapen is, kan de poort weer openen, en geen van beiden kan dat, zonder dat de wil van den ander het wil.
Er zijn menschen geweest, die de poort geopend hebben en aan hun metgezellen getoond hebben, dat hij open stond; hun discipelen zeiden daarna tot de geheele wereld: "Zie, hij heeft ons God getoond en de poort van het paradijs voor ons geopend!"
En terwijl ze het zeiden, streken hun handen liefkozend langs de poort en sloten hem zonder het te merken.
Twijfel je er aan, dat Jezus de poort opende, en dat christenleraren die te goeder trouw weer sloten kort na zijn dood'?
Maar God komt steeds weer bereidwillig naar de poort toe om de menschen tot eeuwig leven te wekken. Je kunt zien in de wereldgeschiedenis, hoe hij bij tijden zijn adem heeft geblazen over de aarde, zoodat het bespeurd werd in het leven der menschen.

dinsdag 8 april 2008

J. Anker Larsen - 4. Heiliging

Ik zeide: "Doe met mij wat ge wilt", toen was er geen reservatio mentalis, niet zelfs het minste "maar laat het dragelijk zijn." Dat was een aanroepen zonder voor­behoud, dat in mij opkwam, en wenschen en gedachten meesleurde in zijn stroom, en ik erkende dat het was een onvoorwaardelijk amor fati. Onvoorwaardelijk en on­zinnig, want hoe kon ik een lot liefhebben, dat ik niet kende en dat misschien wel hard zou zijn? Maar ik deed het. In mijn aanroepen lag een onvoorwaardelijk ja.
Tot wien wendde ik mij, ik, die niet aan God geloofde? Tot de werkelijkheid, niet tot de menschelijke voorstel­lingen daarvan, maar tot de ongekende werkelijkheid, hoe die dan ook zijn mocht, wanneer het voorhangsel van alle persoonlijke wenschen en voorstellingen was weggerukt.
En het antwoord kwam met groote kracht. Het was kracht. Die innerlijke kracht kon niet door ontleding vernietigd worden. Die was bestand tegen nadenken. Het aanroepen bleef levend, hoezeer mijn gedachten er ook om heen gonsden en er in staken.

J. Anker Larsen - 4. Heiliging

Ons weten, Niels, is iets dat we hebben. Dat kan in­gebonden worden in boeken en op een plank gezet. Het kan onthouden en het kan vergeten worden. Ik verlang hevig naar een weten, dat niet is iets dat we hebben, maar dat we zijn

Ieder mensch heeft zijn eigen zaligheid. Maar onze be­schaving is hersenbeschaving; wij halen ons ik omhoog tusschen de dichte muren van onze gedachten, en een woestenij breidt zich uit over ons heele lichaam - waar de zaligheid moest hebben gebloeid. Het ik brengt het, als het mooi is, tot een godsdienst of een levens­beschouwing."

"Nu ja," zei de vreemde, "dat is toch altijd iets. Dat is dan toch een weg."

"Een weg," herhaalde Hans, "neen, een spijskaart. Daarmee is het diner nog niet opgediend. Beleef eerst en verklaar dan - of laat het verklaren na. Zwijg stil en wees - zooals Peter, zoodat men de volheid des levens voelt, wanneer men met u samen is. Want nu meer dan ooit, hebben we meer behoefte aan leven dan aan leer."

woensdag 26 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen

Woorden van Tennyson, geciteerd door J. Anker Larsen in 'de steen der wijzen'
Tennyson schrijft er het volgende over: "Eensklaps, om zoo te zeggen als gevolg van een intensief gevoel van mijn eigen individualiteit, scheen deze individuali­teit zelve zich op te lossen en te verdwijnen in een zijn zonder grenzen. En dit was geen verwarde toestand, maar het duidelijkste van al wat duidelijk is, het zekerste van al wat zeker is, elke beschrijving tartend; een toestand, waarin de dood een bijna belachelijke onmogelijkheid was, en het verlies van de persoonlijkheid - indien het dit was - scheen geen vernietiging te zijn, maar het eenige ware leven. Ik schaam mij over mijn zwakke omschrijving. Heb ik niet gezegd, dat die toestand elke beschrijving tart?"

illustratie: Escher

dinsdag 25 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

"Het moet waarlijk wel een gebeurtenis zijn om een engel te zien," zei Dahl.
Miss Dale zweeg, alsof zij niet verder op dit onderwerp wenschte in te gaan. Maar Dahl vond, als zij er openlijk met Barnes over gesproken had, dan kon zij dat toch ook wel met hem en May doen.
"Barnes denkt, dat u hier met een bepaalde bedoeling bent," zei hij polsend.
"Bedoelt hij hier in Denemarken of hier op aarde," vroeg zij.
"Waarschijnlijk allebei."
Zij keek hem even aan en antwoordde ontwijkend: "Wel, wij zijn hier allen om een bepaalde reden."
"Gelooft u, dat alle menschen om een bepaalde reden geboren worden?"
"Allen."
"Die reden is niet gemakkelijk te vinden.”
Zij antwoordde niet.
Dahl ging voort: "En zij dan, die kort na hun geboorte sterven. – Ik heb zelf een broertje gehad. Ik was den hemel nabij, wanneer ik bij hem was. Ik was toen zelf nog klein, maar ik kan hem nooit vergeten. Hij stierf, voordat het leven beteekenis voor hem kreeg,"
"Wie zegt u, dat het leven beteekenis voor hem moest hebben" zei miss Dale.
"Voor wien anders?"
"Naar wat u zooeven zei, heeft het beteekenis gehad voor u” zei zij.
En toen hij haar getroffen en verwonderd aankeek, ging zij voort:
"U sprak zoo juist over het zien van een engel uit den hemel. U moest zich daar niet te veel voor inspannen. U moest liever zorgen, dat de engelen, die u met eigen oogen ziet hier op aarde, hun volle beteekenis krijgen in uw leven. De volle beteekenis en de juiste."

maandag 24 maart 2008

J. Anker Larsen – 3. Met open deur - Citaat

Juist zo is het met de vreugde in het eeuwi­ge nu. Ik heb in het begin van dit verhaal gezegd, dat ik een goede eetlust had in alle vreugden des levens, en ik heb nog geen kla­gen, noch over de eetlust, noch over de spijs­vertering, maar indien ik alle eten ter wereld in een schaal had, en alle wijn ter wereld in een glas, alle tabak in een sigaar en alle vrou­wen ter wereld in een rok, en de eer aller koningen in een pronkerige ridderorde - met de belofte dit alles voortdurend te bezitten, als ik de mogelijkheid wilde opgeven tot het opnieuw beleven van die ontmoetingen met het eeuwige nu en de lichtglans, die zij over het leven werpen: ik zou hartelijk lachen en de gehele zaak op de mesthoop gooien. Mocht ik iets vergeten hebben, dat begeerd kan wor­den, dan werp ik dit ongezien mee.



Dankbaar geluk omdat de dingen bestaan, niet voor het esthetische genot dat zij opwek­ken, niet voor het nut, dat zij kunnen doen, maar omdat zij bestaan - tezamen met ons; dat is het kenteken, dat men de werkelijkheid zelf ziet. Wanneer wij vergeten, dat de dingen die van ons zijn, ons toebehoren, wanneer de vreugde over het feit, dat zij van ons zijn, ver­drinkt in de vreugde over het feit dat zij er zijn, dan zijn de eeuwigheidslongen begon­nen te ademen. Dan wordt in de mens een onopzettelijke tederheid geboren, die van zijn wezen uitstroomt zonder aanzien des persoons. Dat is de eeuwigheidszon, die schijnt over rechtvaardigen en onrechtvaar­digen

J. Anker Larsen

maandag 17 maart 2008

J. Anker Larsen – 3. Met open deur - Citaat

"Het gebeurt wel eens, wanneer een arm man flink op zijn praatstoel zit, dat hij zich voor­over buigt en gedempt, maar een klein beetje trots, zegt: 'Weet u overigens wel, dat ik fami­lie ben van de graaf van Storborg?' En dan krijgt men tegen wil en dank de familierela­ties te horen. Ook ik kom nu met mijn deftige familie aanzetten. Deze is niet aan tijd of plaats of ras gebonden. Het is een clan, wiens leden onder alle hemelstreken te vinden zijn. Hij heeft geen uiterlijke kentekenen, maar dat hoeft ook niet; zodra wij elkaar slechts ontmoeten, weten wij er alles van. Het zijn de eeuwigheidsondervinders."

Met dank aan René van Blog ‘Het Groene Gezicht’, die dit waardevolle boekje van Antwerpen naar Friesland blies.

zaterdag 15 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

"Och - ja. De heldere vorst en de vriendelijke zon kunnen niet goed met elkaar overweg. Hun eerste ontmoeting is in de modder. Maar krijgt de zon eenmaal kracht, dan wordt de weg schoon - en men zal zien, dat die de helder­heid niet uitsluit. Het kan schijnen alsof er meer klaarheid was in de helderheid van de vorst - maar die brengt geen leven."



Hij ging naar haar toe, en een vraag, die nooit voor hem bestaan had, sedert hij volwassen werd, kwam nu voort uit zijn diepe verwondering:
"Madonna - leeft de mensch na den dood?"
Zij keek hem aan en zei:
"Eens vroeg mijn man mij er naar. Toen kon ik niets anders zeggen, dan dat die vraag niet voor mij bestond. Ik was zoo vol, zoo overstroomend vol van eeuwigheid, dat de dood mij niet aanging. Nu kan ik antwoorden, dat ik er niet aan kan twijfelen, dat de mensch leeft na dat, wat u den dood noemt.""
"Het kost mij moeite, om mij een eeuwig leven voor te stellen" zei hij.
"Dat is ook niet iets, wat men zich voor moet stellen" zei zij, "het is een zekerheid, waar men zich toe op moet leven. - Ja, nu hebt u een vriendelijken, ongeloovigen glimlach. Als een man van de wetenschap komt zeggen, dat hij goud kan maken, gelooft u hem, maar als ik zeg, dat ik in het eeuwige leven leef, gelooft u mij niet:"
"De man van de wetenschap kan gecontroleerd worden," zei hij – “zoo niet door mij, dan door zijn gelijken:"
"Ik kan ook gecontroleerd worden" antwoordde zij, “z00 niet door u, dan door mijn gelijken. Zij, die het leven hebben, kennen het, wanneer zij het in een ander zien.”

woensdag 12 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

Marthe was veel alleen en zag er nadenkend uit. Als timmerman Hansen haar nu gezien had, zou hij zich bezorgd gemaakt hebben, want het was duidelijk, dat zijn kleine, bekrompen Marthe diep nadacht. Zij liep te peinzen over het goede - niet zoozeer het goede, dat wij zoo in het algemeen voor elkaar doen kunnen en dat wij best weten. Neen, maar dat eigenaardige goede, dat zich niet opdringt, maar soms stil naast ons staat en geen bepaalde bedoeling heeft, voor ­zoover wij zien kunnen, maar dat toch, op het oogenblik, dat wij het voelen, het heele leven waard is.

Soms, wanneer zij voelde, dat het zoo "stil en goed vlak naast haar stond" gebeurde het, dat zij "in den put viel" en lang beneden bleef. Wanneer zij weer boven kwam, was zij er onwrikbaar van overtuigd, dat wij ter wille van dit stille goede hier op de wereld zijn.
Maar het was immers totaal mis met de heele aarde. Zij verzonnen en deden maar en namen zooveel ruimte in, dat er niet de minste plaats overbleef voor het goede.

Voor zoover zij zien kon, was het zelfs bezig uitgeroeid te worden uit de wereld, evenals bijvoorbeeld de Indianen uit Amerika. Want als zij zag, wie er vooruit kwamen op de wereld en hoe zij vooruit kwamen, dan was het warempel noch door het goede, noch voor het goede. En de jeugd, die toch de toekomst was, dacht niet in het allerminst aan wat goed was, maar aan wat leuk was - en verder aan "op hun recht te staan," en zij haastten zich om nog wat meer recht te krijgen om op te staan.

Ja, er konden bepaald tijden zijn, dat zij dacht: als een mensch het eens wagen zou om zich voor te nemen om niet anders dan goed te willen zijn - dan zou het leven hem er wel gauw voor straffen. Maar dan schoot het haar te binnen, dat het absoluut dringend noodzakelijk was, dat iemand dat toch op zich nam - wat het ook kosten mocht.

Als zij hierover nadacht, placht er een koppige uitdrukking op haar gezicht te komen. Zij zag er uit, alsof zij bezig was haar dienst op te zeggen aan een meesteres, waar zij niet bij dienen wilde. .
Op zekeren dag schoot het haar plotseling uit den mond, moedig en sterk keek zij uit haar heldere oogen: "Ik durf best! Ik durf best goed te zijn!'
Het lijkt zoo niets. Maar voor Marthe was het een levens­kwestie, die beslist werd. Er gebeurde geen verandering met haar, zij was zichzelf alleen helder bewust. Het was haar te moede, alsof zij een verlaten kind geadopteerd had, dat al te voren bij haar in huis was geweest - maar tot nu toe zonder verantwoordelijkheid. Nu had zij het stille, belangeloos goede aangenomen en zou er de verantwoordelijkheid wel voor weten te dragen. Marthe had een besluit genomen - en dan konden ze haar voor de rest beide handen en voeten en zelfs het hoofd afhakken, maar haar er toe krijgen om te verzaken, dat konden ze niet.

maandag 10 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

"Zou jij eigenlijk wel weten, wat geloof is?" zei Nyeland. "Wat noem jij geloof?"
Marie dacht een oogenblik na en zei toen:
"Het eeuwige en het tijdelijke, het grenzeloze en het begrensde hebben elkander lief. Het geloof is de aantrek­kingskracht van het eeuwige en het tijdelijke tot elkaar, tot bewuste vereniging in het gemoed van een mensch. Het is een levende kracht, die niet berust op opvattingen of meningen, maar er vaak door belemmerd wordt.”

Ik ben immers geen denker, maar alleen iemand, die beleeft. En wat ik beleefd heb, is dit:
"Toen ik God niet meer in mijn eigen gedachten kleedde, toen ik niets anders van Hem wist, dan dat Hij is, maar niet datgene, wat ik van Hem denk, toen brak Zijn licht over mij uit.
Het was als het afnemen van de kap van een lamp, en zie, het licht zelf straalde rein en helder, en alle dingen op de wereld lagen in dit Licht, dat sterk is en door alle dingen heen dringt.
Mijn oogen kunnen het verdragen, tot mijn onzegbare vreugde.
Laat hen, wier oogen zwak zijn, de kap behouden; het is toch het licht zelf, dat er doorheen schijnt. Laat hen, die het noodig hebben, zich de beste denkbeelden van God maken; iets van Zijn wezen zal toch door hun nietige gedachten omtrent Hem heen schemeren.
Maar laat hen niet hun ideeën aan anderen opdringen, want de kap is niet het licht en hun gedachten omtrent God zijn niet God"

zondag 9 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

Marie’s humor was gebaseerd op diepen ernst, die haar woorden kenmerkte, als zij in haar dagboek alleen met zichzelf sprak. In dien tijd schreef zij:
"Hoewel mijn levenskracht grooter is, dan ik ooit had kunnen denken, is het, alsof ik al gestorven ben, terwijl ik leef. Zoo groot is het verschil tusschen vroeger en nu. De anderen zien hetzelfde oude lichaam en denken, dat het hetzelfde is. Maar vroeger was ik het, die het bezat en ge­bruikte naar mijn wil, nu is het God, die het bezit, en ik ben slechts zijn dienstbode, die veegt en stof afneemt.
Maar indien het niet vermetel was, zou ik zeggen, dat er tijden zijn, dat ik nauwelijks onderscheid kan zien tusschen Hem en mij.
Zoo kan een dienstbode haar goeden meester liefhebben, dat zij geen verschil kan maken tusschen zichzelf en hem, niet omdat zij gelooft, dat het de meester is, maar omdat zij zichzelf geheel en al vergeet voor hem en niets voor zichzelf houdt.
Als mijn rechter hand die van een ander drukt, wil het immers zeggen: "Marie Nyeland groet U” en niet: "Marie Nyelands rechter hand groet uw rechter hand."
Mijn hand is niets zonder mij en mijn wil bepaalt ieder van haar bewegingen.
Zoo is het, dat ik bij tijden niet onderscheiden kan tus­schen God en mij. Ik weet, dat Hij grooter is, maar er is niets in mij, dat niet Hij is.
Hoe minder ik aan Hem denk, des te meer is het zoo, want als ik aan Hem denk, ben ik het, die naar Hem zit te kijken en mij over Hem verheug. Het is alsof mijn hand zou denken: "Ik ben Marie Nyelands nuttige hand." Maar als die slechts handelt, dan ben ik het die denk en handel.
Als ik mij geen denkbeelden van God maak, maar slechts handel, dan ben ik Hem zoo nabij, dat Hij het is, die denkt en handelt.
Maar als iemand dit bij toeval eens mocht lezen, dan moet hij weten, dat het alleen zoo is, als men God even gehoor­zaam is, als onze hand gehoorzaam is aan onszelf. Die is zonder eigen wil en er is geen verschil tusschen haar en ons.
Ons bloed en onze wil stroomen er direct heen. Zoo kunnen Gods leven en wil onmiddellijk in een mensch stroomen." ­

Uit: Martha en Maria - J. Anker Larsen

zaterdag 1 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

p. 110 Het leven rukte zijn masker af en toonde haar een doodskop. Alles waar men van hield, verdween. Het leven was precies als die droomen, waarin alles wat men zich wenschen kan in overvloed geboden wordt, maar zoodra men de hand uitstrekt, is dat, waar men naar greep, verdwenen.
Ook God was verdwenen. Zij had getracht om tot Hem te bidden, maar het gebed was onbeantwoord teruggekomen uit de leege ruimte. De geadresseerde was onbekend.


p. 119 "Weet je," zei hij, "ik heb het gevoel, dat wij toenmaals letterlijk alles opaten, wat wij zagen. Alles wat wij zagen en hoorden ging naar de diepte in ons en bleef daar. De zintuigen waren bijen, die uitvlogen en terugkwamen met voedsel voor de ziel, die er meer levend van werd.
Of was het misschien zoo, dat wij zagen en hoorden en voelden met onze heele ziel, en dat de dingen daarom levend werden? Het is niet van elkaar te onderscheiden:'
Zij antwoordde niet, zij zat maar en was er.


p. 121 "Er moet iets in ons zijn," zei hij even later, er moet iets in ons zijn, dat eigenlijk onszelf is, dat juist wij is. Al het andere is iets, dat wij hebben - een driftige natuur, een paar vlugge knuisten, een zwakke maag, en zoo. Het andere is iets, dat wij zijn - de manier waarop wij alles voelen.
Waar blijft het?
Wij krijgen het mee bij onze geboorte en er is vreugde en veel goeds in.
Waar gaat het heen, dat wij het vergeten en vreemde menschen worden?"

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

Citaat 1.
p. 57 – 58 Eindelijk hielden velden en wegen op met vreemd voor haar te zijn. Zij kregen dezelfden vriendelijken glans als die van thuis. Het was alsof ze haar tegemoet kwamen en zeiden: "Wij zijn ook hier, ons vindt je overal waar je komt:'
Den eersten keer, dat zij echt hun goedheid voelde, nam zij een klavertje en legde het in haar Bijbelsche geschiedenis­boek. Daar lag het om gedroogd te worden en eindelijk vond zij, dat het net een brief van huis was.

Soms kon zij zoo verbaasd zijn over zichzelf; zij vond, dat zij evengoed een heel vreemd meisje zou kunnen zijn, dat zij ergens ontmoet had. Dit gebeurde, wanneer zij er echt op los speelde en stoeide en lachte met de anderen. Dan kon zij plotseling haar eigen lach hooren en haar eigen luid­ruchtige grappen. Zoo kende zij zichzelf heelemaal niet, zoo was zij oorspronkelijk niet geweest.
Dan kon zij midden in het rumoer ineens stil blijven staan en vinden, dat alles zoo vreemd was, omdat het als het ware veel te natuurlijk was, veel natuurlijker dan men wist. Want zij was immers altijd zoo geweest. Het was alleen maar niet voor den dag gekomen. Het had verborgen gelegen, evenals alles, wat overdag gebeuren moest, den heelen nacht verborgen lag in den ondoorzichtigen mantel van den "trold." Het was niet te zien, maar het was er toch. Er was niets, dat er niet was. De tijd was niet iets, dat kwam en ging. Die was altijd "vlak bij.'

Het was alleen maar de kwestie, dat een gedeelte ervan verborgen was in den mantel van den "trold": dat wat men zich niet meer herinneren kon, en dat wat men nog niet zien kon - zooals men ook niet zien kon wat er achter den hori­zon lag. Maar het was er allemaal, nu - alles van voordat zij geboren werd en tot nadat zij gestorven zou zijn. En als zij er geheel in zou kunnen opgaan, zou zij alles weten - ook dat van morgen en dat van over vele jaren. Maar zij kon of durfde er niet geheel in op te gaan, niet verder dan tot daar, waar zij begon te vermoeden. Zij moest wachten tot de dagen er waren, en totdat het stuk voor stuk uit den mantel van den "trold" of over den rand van den horizon kwam.

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

Citaat 4.
"Het is vreemd, wanneer ik nu - omdat u het mij vraagt ­mijzelf beschouw. Want dan kom ik tot de ontdekking, dat ik langen tijd weg ben geweest.
Ikzelf ten minste. Want ik heb het gevoel, alsof ik het heelemaal niet zelf geweest ben, die geleefd heb, maar iemand, die naar mij zocht.
Er zijn vele jaren verloop en, die mij in het geheel niet schijnen aan te gaan. Het klinkt wel dwaas."
“Niet voor mij," zei May. "Met mij is het net zoo. Ik ben niet wakker geweest, sedert ik op school kwam. Sedert dien tijd heb ik alleen maar loopen slapen. Ik geloof, dat wij het op dezelfde manier gehad hebben, maar vertel het toch maar.”
"Wat moet ik vertellen," zei hij glimlachend. "Er was eens een jongen, die Jens heette - en dat was ik. Op zekeren dag was hij verdwenen, en er kwam een kerel, die Dahl heette - en ik dacht, dat ik het was. Op een goeden dag viel hij in slaap, en er ontwaakte een jongeman, die Jens heette - en dat ben ik, die hier zit. Al het andere is, geloof ik, iets leelijks, dat ik gedroomd heb. Ik heb het nooit goed met dien Dahl kunnen vinden."
"Vertel mij toch maar wat van hem."
"Dat kan ik niet zonder u eerst van den jongen te ver­tellen," zei hij.
"Van hem wil ik het allerliefst wat hooren," zei zij.
"Er valt niet veel van dien jongen te vertellen," begon hij.
“Er was geen afstand tusschen mij en den hemel, die in mij was. Ik wandelde in het paradijs.
Maar op zekeren dag werd dit gesloten en vanaf dien dag was ik in ballingschap en voelde de noodzakelijkheid om mijn ziel te verlossen. Ik werd godsdienstig. Ik werd theoloog. De theologie dreef mij uit het Christendom.
Maar ik had nog altijd een ziel, die verlost moest worden.
Ik zocht naar iets. Ik dacht, dat het God was. Ik begrijp nu, dat het ikzelf was.
Dat moet het geweest zijn. Want nu, nu ik mijzelf weer ken, is er geen afstand tusschen mij en mijn eigen hemelrijk.
Ik heb geen godsdienst noodig - het eenige wat ik vroeger noodig had.
Misschien is godsdienstigheid het streven van een on­harmonisch gemoed naar harmonie en zijn de godsdiensten gebaseerd op belijdenissen van mannen, die gestreefd en bereikt hebben.
Wat mij betreft schijnt het mij toe, dat ik de geheele Christelijke godsdienst beleefd - en overleefd heb.
Ik heb gewandeld in het paradijs der onschuld, waar ik geen godsdienst noodig had. Ik ben er samen met een Eva uitgestooten en op de aarde geworpen. Ik beleefde Abels dood, want ik voelde, dat hij, dien ik als mijzelf erkende, dood was. Ikzelf had hem gedood. Wij loop en allen rond met een broedermoordenaar in ons.
Sedert dien tijd ben ik alleen geweest, met wien ik ook samen was.
En het is niet goed voor den mensch, dat hij alleen is.
Maar op zekeren dag ontwaakte ik en zag den beuk van voor den zondeval, den beuk, dien ik mij herinnerde van toen ik nog een jongen was. Er kwam iemand voorbij en ik keek in de oogen van een mensch, die zocht naar hetzelfde leven als ik.
Sedert dien dag ben ik niet meer alleen geweest.
Ik begrijp, dat de mensch, als hij samen met Eva uit het paradijs verdreven wordt, er met Madonna weer in terug­keert.
Door haar komt het kind, dat den mensch verlost. Zoo is het met mij gegaan. De jongen is teruggekeerd. De vol­wassene aanbidt Madonna.
Meer heb ik niet te zeggen. Ik zocht naar God. Als God liefde is, dan is God daar, waar ik nu ben en er is niets in mij, dat ik zou willen verbergen. Voor geen enkelen God. Voor geen enkel mensch. Ook voor u niet. Wat ik nu voel, erken ik met ieder deel van mijn wezen als het mijne. Hemel en aarde zijn een, en er is geen verschil tusschen lichaam en ziel:”