Posts tonen met het label Jan Luyken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan Luyken. Alle posts tonen

woensdag 22 september 2010

De ziel betracht de nabijheid Gods.

Ik meende ook, de Godheid woonde verre,
in eenen troon, hoog boven maan en sterren
en hefte menigmaal mijn oog
met diep verzuchten naar omhoog.

Maar toen Gij U beliefde te openbaren,
toen zag ik niets van boven nedervaren;
Maar in de grond van mijn gemoed
daar werd het liefelijk en zoet.


Daar kwaamt Gij uit der diepte opwaarts dringen
en als een bron mijn dorstig hart bespringen,
zodat ik U, o God, bevond
te zijn de grond van mijnen grond.


Dies ben ik blij dat gij, mijn hoogst beminde,
mij nader zijt dan al mijn naaste vrienden.
Was nu alle ongelijkheid voort
en 't herte rein, zoals het hoort,
geen hoogte, noch geen diepte zou ons scheiden,
ik smolt in God, mijn lief; wij werden beide
één geest, één hemels vlees en bloed,
de wezentheid van Gods gemoed,
dat moest geschien. Och, help getrouwe, Heere,
dat wij ons dans in Uwen wille keren.

Joannes Luiken

donderdag 24 juli 2008

Droom is ’t leven

Droom is ’t leven, anders niet;
’t Glijdt voorbij gelijk een vliet,
Die langs steile oevers schiet,
Zonder ooit te keren.

De arme mens vergaapt zijn tijd
Aan het schoon der ijdelheid,
Naar een schaduw die hem vleit,
Droevig! Wie kan ’t weren?

De oude grijsaard wordt een kind,
altijd slaperig, altijd blind;
Dag en uur,
Waarde en duur
Verwaait maar in de wind.

Daarmee glijdt het leven heen
’t Huis van vel en vlees en been,
Slaat aan ’t kraken,
De ogen waken,
Met de dood in duisterhe'en.

Jan Luyken (1649-1712)

schilderij S. Wulfing