Posts tonen met het label Jan van het Kruis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan van het Kruis. Alle posts tonen

maandag 28 februari 2011

Iets en niets

Om te komen tot alles te smaken,
wil niet smaak hebben in iets;
om te komen tot alles te bezitten,
wil niet iets bezitten in niets;
om te komen tot alles te zijn,
wil niet iets zijn in niets.

Om te komen tot wat je niet smaakt,
moet je gaan waarlangs je niet smaakt;
om te komen tot wat je niet weet,
moet je gaan waarlangs je niet weet;
om te komen tot wat je niet bezit,
moet je gaan waarlangs je niet bezit;
om te komen tot wat je niet bent,
moet je gaan waarlangs je niet bent.

Wanneer je blijft stilstaan bij iets,
laat je na je te werpen op het al ,
want om helemaal te komen tot het al,
moet je helemaal afzien in alles;
en wanneer je ertoe komt het helemaal te bezitten,
moet je het bezitten zonder iets te willen;
want, als je iets wilt bezitten in alles,
heb je niet zuiver in God je schat.

In deze naaktheid vindt de geest zijn rust en ontspanning;
want, omdat hij niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg omhoog
en drukt niets hem neer op de weg naar beneden;
want hij staat in het middelpunt van zijn nederigheid;
jaagt hij iets na, dan vermoeit hij juist daardoor zichzelf.


(Bestijging van de Berg Karmel, Boek I, 13, nrs. 10—13) Jan van het kruis

vrijdag 11 december 2009

Uit de proloog van 'Bestijging van de berg Karmel' door Jan van het Kruis

Lied,
waarin de ziel het grote geluk bezingt, dat zij deelachtig werd, toen zij, ontbloot en gezuiverd van zichzelf, door de donkere nacht van het geloof ging naar de vereniging met de Beminde.

1. In een nacht, aardedonker,
in brand geraakt en radeloos van liefde, –
en hoe had ik geluk! –
ging ik eruit en niemand die 't merkte
want mijn huis lag reeds te slapen.
2. In 't donker, geheel veilig -
langs de geheime trap en in vermomming, –
en hoe had ik geluk! –
in 't donker, ongezien ook,
want alles in mijn huis lag reeds te slapen.
3. In de nacht die de kans geeft,
in het geheim, zodat geen mens mij zien kon
en ook ikzelf niets waarnam:
ik had geen ander leidslicht
dan wat er in mijn eigen binnenst brandde.
4. Dat was het dat mij leidde
zekerder dan het zonlicht op de middag –
daarheen waar op mij wachtte,
van Wie ik zeker zijn kon
en op een plaats waar niemand ooit zou komen.
5. O nacht die mij geleid hebt!
O nacht, mij liever dan het morgengloren!
O nacht die hebt verenigd
Beminde met beminde,
beminde, opgegaan in de Beminde!
6. Aan mijn borst, wei vol bloemen,
Hem alleen, onbetreden voorbehouden,
daar is Hij ingeslapen
en heb ik Hem geliefkoosd
en gaf de waaier van de ceders koelte.
7. De koelte van de tinnen kwam,
onderwijl ik door zijn haren heenstreek,
met haar hand, licht en rustig,
mij aan de hals verwonden
en stelde al mijn zinnen buiten werking.
8. Mijzelf liet ik, vergat ik;
ik drukte het gelaat aan mijn Beminde;
het al stond stil, ik liet mij gaan, liet al mijn
zorgen liggen: tussen de witte leliën vergeten.

dinsdag 24 februari 2009

De Berg der Volmaaktheid

Om te geraken tot het smaken van ALLES - heb smaak in NIETS.
Om te geraken tot het weten van ALLES - wil NIETS weten.
Om te geraken tot het bezit van ALLES - wil NIETS bezitten.
Om te geraken tot ALLES zijn - wees NIETS.
Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt - moet ge gaan langs de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat ge nog niet weet - moet ge gaan langs de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat ge nog niet hebt – moet ge gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat ge nog niet zijt - moet ge gaan langs de weg van het niet-zijn.
Als ge bij iets blijft stilstaan - werpt ge u niet met hart en ziel op het Al.
Om heel en al tot het Al te komen - moet ge u van alles ontdoen omwille van het Al.
Als ge eenmaal helemaal tot het bezit komt van het Al - moet ge het vasthouden zonder iets anders te willen.
In deze ontbloting vindt de geest rust.
Omdat hij immers niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg naar omhoog en drukt hem niets bergafwaarts, want hij staat in het evenwicht van zijn nederigheid.

vrijdag 10 oktober 2008

Jan van het Kruis

Gezangen die de ziel schept in de innige vereniging met God

O vlam van liefde levend
die teergevoelig wondt
in 't allerdiepste centrum van mijn wezen,
jij bent niet meer afwerend;
voltooi nu, als je wilt,
verbreek het weefsel van dit fijne ontmoeten.

O zacht en liefelijk schroeien,
o, zoet strelende wonde,
o hand zo zacht, o fijngevoelig raken,
dat eeuwig leven doet smaken
en alle schuld betalen;
dodend heb je dood omgezet in leven.

O lampen vol van vuur,
in jullie schitterend schijnsel
geven de diepe groeven van de zinnen,
die donker waren en blind,
met ongekende schoonheid
warmte en licht ineen aan de Beminde.

Hoe zacht en vol van liefde
ontwaak jij in mijn boezem,
waar jij alleen geheimvol woont;
hoe, in jouw heerlijk ademen
vol weldaad en vol luister,
wek jij in mij heel fijngevoelig liefde.