Posts tonen met het label Gods Liefde. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gods Liefde. Alle posts tonen

zondag 2 maart 2008

Uit het Dagboek van Frederik van Eeden



Dinsdag 10 september 1878

Mag ik eens een vertoog over liefde houden.
Liefde is geen godheid, geen op zich zelf staand iets, het is geen demon die buiten de menschen om deze beheerscht en deze laat handelen naar zijn goedvinden, het is een eigenschap, een uiting van den mensch.
Hartstocht is een demon, een echte; een vreesselijke, onweerstaanbare macht die den mensch, die de kracht niet heeft hem van zich af te houden, meesleurt zonder zijn wil. Die in hem werkt zonder dat hij het zich bewust is, die zijn geest benevelt en zijn zelfstandigheid vernietigt. Dat is geen liefde.
Liefde is geen verlangen, geen vurige begeerte naar iets dat zij niet bezit. Dat is hartstocht. Hartstocht verdwijnt als zij het voorwerp van haar verlangen heeft. Liefde wil niets als het geluk van dat voorwerp en heeft geen onbevredigde wenschen noodig om te kunnen blijven bestaan. Mogelijk zijn er voor hartstocht diepere drijfveeren. Hartstocht ontstaat misschien door de zucht naar onsterfelijkheid, naar roem, naar geluk. Waarachtige liefde heeft geen drijfveeren, die ontstaat uit zichzelven. Waarachtige liefde denkt niet om haar eigen geluk, haar eigen verheerlijking. En toch maakt zij dengene die haar bezit gelukkiger dan hartstocht.
De mensch heeft een eigen, innerlijk ik in zijn diepste binnenste, iets dat al zijn doen en laten beheerscht en toch buiten die handelingen schijnt te staan. Die ikheid neemt alle mogelijke maskers aan, speelt alle rollen, maar komt helaas zoo zelden in zijn ware gedaante te voorschijn. Het is soms een lastig ding, dikwijls wil de mens het wegcijferen, tot zwijgen brengen en dan blijft het toch soms zoo krachtig spreken.
De ziel kan ik het niet noemen, het geweten…ja! Dat is het eigenlijk wel. Het is wat bedoeld wordt als men zegt: Keer tot u zelven in.
Iedereen verbergt het, men tracht zich wijs te maken dat men zich voordoet zooals men werkelijk is – maar de ikheid weet wel beter. Men wil er niet naar luisteren, men bedriegt zichzelven met verbazend talent – maar “keer tot uzelven in” en de waarheid die uw eigen ik u verkondigt, zal u soms doen ontroeren.
Die innerlijke mens moet liefhebben, dat is ware liefde. Die ikheid moet gevoelen dat het geluk van een ander wezen hooger plaats bij haar inneemt dan haar eigen geluk. Die ikheid moet zich in staat gevoelen zich geheel, zonder eenige terughouding te openbaren aan een ander ik, en zij moet de kracht beseffen om alles voor dien ander te kunnen doen, te kunnen dragen. Die liefde die dan ontstaat beheerscht niet, ze wordt beheerscht. En de mens die liefheeft, laat zich niet door zijn liefde leiden, maar leidt haar. Die liefde uit zich dikwijls niet in woorden, dikwijls blijft het een lijdelijke, zwijgende vereering en is volkomen tevreden in het bewustzijn dat haar voorwerp gelukkig is.
Dit is misschien goed en edel, maar edeler is het toch zichzelf niet passief maar actief te toonen, naar wederliefde te streven en zoo te handelen dat men die liefde ook verdient. Dan verlangt de liefde wel naar iets, ook naar iets dat zij niet bezit, maar zou dan die liefde bij het bereiken van haar wensch teniet gaan? Ze zal nog oneindig krachtiger worden, in het bewustzijn dat een ander ik haar beantwoordt. Als dat heerlijke doel bereikt is, als twee wezens elkaar kennen, wezenlijk door en door verstaan, voor elkander leven en zich verheugen, omdat ze liefhebben en bemind worden, dan behoeft de liefde niets te wenschen, want ze is zeker dat ze haar ander ik zal behouden – en toch blijft ze bestaan.

zaterdag 1 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

Citaat 4.
"Het is vreemd, wanneer ik nu - omdat u het mij vraagt ­mijzelf beschouw. Want dan kom ik tot de ontdekking, dat ik langen tijd weg ben geweest.
Ikzelf ten minste. Want ik heb het gevoel, alsof ik het heelemaal niet zelf geweest ben, die geleefd heb, maar iemand, die naar mij zocht.
Er zijn vele jaren verloop en, die mij in het geheel niet schijnen aan te gaan. Het klinkt wel dwaas."
“Niet voor mij," zei May. "Met mij is het net zoo. Ik ben niet wakker geweest, sedert ik op school kwam. Sedert dien tijd heb ik alleen maar loopen slapen. Ik geloof, dat wij het op dezelfde manier gehad hebben, maar vertel het toch maar.”
"Wat moet ik vertellen," zei hij glimlachend. "Er was eens een jongen, die Jens heette - en dat was ik. Op zekeren dag was hij verdwenen, en er kwam een kerel, die Dahl heette - en ik dacht, dat ik het was. Op een goeden dag viel hij in slaap, en er ontwaakte een jongeman, die Jens heette - en dat ben ik, die hier zit. Al het andere is, geloof ik, iets leelijks, dat ik gedroomd heb. Ik heb het nooit goed met dien Dahl kunnen vinden."
"Vertel mij toch maar wat van hem."
"Dat kan ik niet zonder u eerst van den jongen te ver­tellen," zei hij.
"Van hem wil ik het allerliefst wat hooren," zei zij.
"Er valt niet veel van dien jongen te vertellen," begon hij.
“Er was geen afstand tusschen mij en den hemel, die in mij was. Ik wandelde in het paradijs.
Maar op zekeren dag werd dit gesloten en vanaf dien dag was ik in ballingschap en voelde de noodzakelijkheid om mijn ziel te verlossen. Ik werd godsdienstig. Ik werd theoloog. De theologie dreef mij uit het Christendom.
Maar ik had nog altijd een ziel, die verlost moest worden.
Ik zocht naar iets. Ik dacht, dat het God was. Ik begrijp nu, dat het ikzelf was.
Dat moet het geweest zijn. Want nu, nu ik mijzelf weer ken, is er geen afstand tusschen mij en mijn eigen hemelrijk.
Ik heb geen godsdienst noodig - het eenige wat ik vroeger noodig had.
Misschien is godsdienstigheid het streven van een on­harmonisch gemoed naar harmonie en zijn de godsdiensten gebaseerd op belijdenissen van mannen, die gestreefd en bereikt hebben.
Wat mij betreft schijnt het mij toe, dat ik de geheele Christelijke godsdienst beleefd - en overleefd heb.
Ik heb gewandeld in het paradijs der onschuld, waar ik geen godsdienst noodig had. Ik ben er samen met een Eva uitgestooten en op de aarde geworpen. Ik beleefde Abels dood, want ik voelde, dat hij, dien ik als mijzelf erkende, dood was. Ikzelf had hem gedood. Wij loop en allen rond met een broedermoordenaar in ons.
Sedert dien tijd ben ik alleen geweest, met wien ik ook samen was.
En het is niet goed voor den mensch, dat hij alleen is.
Maar op zekeren dag ontwaakte ik en zag den beuk van voor den zondeval, den beuk, dien ik mij herinnerde van toen ik nog een jongen was. Er kwam iemand voorbij en ik keek in de oogen van een mensch, die zocht naar hetzelfde leven als ik.
Sedert dien dag ben ik niet meer alleen geweest.
Ik begrijp, dat de mensch, als hij samen met Eva uit het paradijs verdreven wordt, er met Madonna weer in terug­keert.
Door haar komt het kind, dat den mensch verlost. Zoo is het met mij gegaan. De jongen is teruggekeerd. De vol­wassene aanbidt Madonna.
Meer heb ik niet te zeggen. Ik zocht naar God. Als God liefde is, dan is God daar, waar ik nu ben en er is niets in mij, dat ik zou willen verbergen. Voor geen enkelen God. Voor geen enkel mensch. Ook voor u niet. Wat ik nu voel, erken ik met ieder deel van mijn wezen als het mijne. Hemel en aarde zijn een, en er is geen verschil tusschen lichaam en ziel:”

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

citaat 3.
Hij zat in een hoek van zijn sofa met gesloten oogen; zijn ademhaling werd langzaam en regelmatig, zijn bewust­zijn scheen in scherpte toe te nemen, hoewel zijn gedachten als het ware verlamd werden door den diepen afkeer van alles, wat hijzelf was. Een voor een vertoonden zijn eigen­schappen zich aan hem, wekten zijn afschuw op en vielen als verdorde, waardelooze bladeren ter aarde.
Eindelijk werd het stil en toen had hij een gevoel, alsof hij ophield zichzelf te zijn.
Diep doordrongen van zijn eigen slechtheid zonk hij neer tot op den bodem van het niet, met het bevrijdende gevoel van niet meer te bestaan.

Zijn hoofd lag achterover geleund tegen den sofarug. Iemand, die de kamer binnenkwam, zou hem voor dood kunnen aanzien. Zelf voelde hij, dat hij langzaam, regel­matig en diep ademhaalde. Hij begon ook een gelukkige gezondheid in zijn ledematen te bespeuren, zooals men dit voelt, wanneer een ziekte haar macht verloren heeft.
Het nam toe tot een jubelenden overvloed van lichamelijk genot.
Een paar tranen rolden over zijn wangen, omdat het lichamelijke genot onmiddellijk overgegaan was in geestelijk geluk.

Een onuitsprekelijke goedheid stroomde als een golf van licht door zijn geheele wezen en hij kon deze niet onder­scheiden van zichzelf. Hij voelde zich gedragen door een liefderijke macht, die de geheele wereld droeg, staande hield en voorwaarts leidde, zoo innig er mede vereenigd, dat het niet mogelijk was het leven te onderscheiden van die machtige liefde zelf.

Zijn devotie was zoo diep, dat hij er niet aan kon denken om te knielen of zijn handen te vouwen. Maar hij opende de oogen, er toe gedreven door bijna al te veel innerlijk licht; en toen zag hij, dat het licht ook buiten hem was.
De geheele wereld lag in een stralend licht, dat geen schaduw wierp en dat door tafels en stoelen heen drong, zoodat hij er doorheen scheen te kunnen zien. Hij kon niet uitmaken, of dit allesdoordringende licht de goddelijke liefde zelf was, of iets wat bij haar behoorde, zooals het lichaam bij de ziel van den mensch. Maar - als het ware met behulp van dit licht - zag hij, dat de machtige liefde altijd en overal tegenwoordig is. Doch dat de mensch zich heeft weten te isoleeren van het bewusttijn hieromtrent, door middel van zijn zelf­genoegzaamheid. En dat geen mensch de kracht van zijn eigen zelfgenoeg­zaamheid vermoedt.
Ons even nabij als onze ademhaling, en toch zoo ver van ons verwijderd, dat wij kunnen twijfelen aan haar be­staan, is Gods liefde. ­