Alweer een mens onder mijn treinalweer zo’n wanhoopsdaad.
Ik remde, Heer, uit alle macht,
maar toch weer iets te-laat,
Ik zag hem in de schemer staan
en ja, daar sprong hij hoor.
Zo kwam een einde aan zijn rit,
maar ik., ik moest weer door.
O God, ik smeek U, sta mij bij.
Het werk maakt mij kapot.
Moet ik steeds leven met de dood,
is dat, is dàt mijn lot?
Ik voer slechts mensen aan en af
naar waar zij willen zijn.
Houdt Gij hen dan van ‘t dode-spoor
en héél vèr van de lijn.
Uit “Over en tot Leven’
van L. Ouwersloot—Berg
