‘En wat is de derde soort?’ vroeg ik.
‘Zij die nooit van alchemie hebben gehoord, maar door hun manier van leven de steen der wijzen ontdekken.’
Ter illustratie van wat mijn meester bedoelde met de derde soort alchemisten, een verhaal dat hij mij zelf verteld heeft in zijn laboratorium.
Eens besloot Onze-Lieve-Vrouw met het Kindje Jezus in haar armen terug te keren op aarde en een klooster te bezoeken. Trots hadden alle paters zich opgesteld in een grote rij, en een voor een traden ze voor de Heilige Maagd om haar eer te betuigen. Een droeg prachtige gedichten voor, een ander liet zijn miniaturen voor de bijbel zien, een derde somde alle heiligen op. En zo bewezen ze allemaal, monnik na monnik, eer aan Onze-Lieve-Vrouw en het Kindje Jezus.
Helemaal achter in de rij stond een pater, de nederigste van het klooster, die nooit de geleerde boeken uit die tijd had bestudeerd. Zijn ouders waren eenvoudige mensen die in een oud circus in de buurt werkten, en alles wat ze hem hadden geleerd was een beetje jongleren.
Toen hij aan de beurt was, wilden de andere paters de hommage beëindigen, want de ex-jongleur had niets belangrijks te melden en kon het imago van het klooster beschadigen. Maar ook hij voelde in zijn hart een immense behoefte om iets van zichzelf aan Jezus en de Heilige Maagd te geven.
Beschaamd, de verwijtende blikken van zijn medebroeders in de rug, haalde hij een paar sinaasappels uit zijn zak en begon ermee te jongleren, want dat was het enige wat hij kon.
Toen pas lachte het Kindje Jezus en begon in zijn handjes te klappen op schoot bij Onze-Lieve-Vrouw. En de Maagd stak haar armen naar hem uit en liet hem het kind even vasthouden.
Bron: Paulo Coelho - De Alchemist

Een man besloot een kluizenaar op te zoeken die, zo was hem verteld, niet ver van het klooster te Sceta leefde. Na doelloos in de woestijn gedoold te hebben, vond hij de monnik.






Een dichter heeft ooit gezegd dat niemand een eiland is. Om de goede strijd te strijden hebben we hulp nodig. We hebben vrienden nodig, en als onze vrienden niet in de buurt zijn, moeten we van de eenzaamheid ons belangrijkste wapen maken. Alles om ons heen moet ons helpen de noodzakelijke stappen te zetten om bij ons doel te komen. Alles moet een persoonlijke uiting zijn van onze wil om de goede strijd te strijden. Als we dat niet snappen, als we niet inzien dat we alles en iedereen nodig hebben, worden we arrogante strijders. En die arrogantie zal ons uiteindelijk de das omdoen, omdat we zo zelfverzekerd worden dat we de valkuilen op het slagveld niet zien.'
Iedereen zoekt een volmaakte meester; maar meesters zijn nu eenmaal menselijk, al kunnen hun lessen goddelijk zijn – en dat is iets wat mensen moeilijk kunnen accepteren. Dat de leraar iets anders is dan de les, het ritueel iets anders dan de extase, degene die het symbool doorgeeft iets anders dan het symbool zelf. De Traditie is verbonden met de ontmoeting met de krachten van het leven, niet met de personen die haar doorgeven. Maar we zijn zwak: we vragen de Moeder om mensen die ons leiden, terwijl zij enkel zorgt voor de bewegwijzering van de route die we moeten gaan.Wee degene die zich een herder zoekt, en zich niet om zijn eigen vrijheid bekommert! De ontmoeting met de hoogste energie ligt binnen het bereik van iedereen, behalve van degenen die hun verantwoordelijkheid overdragen aan anderen. Onze tijd op deze aarde is heilig, we horen iedere minuut, iedere seconde te vieren.
