Ik droomde dat ik wakker was
Voor het eerst in mijn bestaan
Ik zag mijn eigen voeten
Over de aarde gaan
Ik zag mijn eigen handen
Ik kon ze zelf bewegen
En ik maakte er vleugels van
Geen mens houdt mij hier tegen
Ik vloog over de bergen
Ik scheerde over dalen
Herkende elke boom en beek
Hier kan ik nooit verdwalen
Ik raasde door de wolken
Ik lachte met de wind
Dit is de echte wereld
Waarin ik mij nu bevind
Ik landde op het water
En dook diep naar onder
Mijn vleugels vormden vinnen
Dat is hier niets bijzonders
Ik speelde met de stromen
Ik liet mij doelloos gaan
En wenste met al mijn dromen
Laat dit altijd bestaan
Ik vond mijzelf op het strand
Mijn vinnen waren weer voeten
Ik woelde door het warme zand
Hier nooit meer weg te moeten
Ik schreeuwde naar de zon
Laat mij hier eeuwig zijn
Om mijn wakker zijn te bewijzen
Deed ik mijzelf pijn
Maar heel de tijd wist ik al zeker
Straks zal ik weer gaan dromen
Aan het echte wakker zijn
Zal steeds een einde komen...
Posts tonen met het label dromen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dromen. Alle posts tonen
zondag 20 maart 2011
Bram Vermeulen - Wakker
dinsdag 31 augustus 2010
Wat als ....
zaterdag 23 januari 2010
Citaten uit het werk van Gustav Meyrink
Alle ware kunst heeft ook haar ontstaan te danken aan het rijk der dromen. En ook de gave om iets uit te vinden. De mensen spreken in woorden. De droom spreekt in levende beelden.
Dat hij die neemt uit de dagelijkse gebeurtenissen, heeft menigeen verleid om te geloven dat dromen geen zin, geen betekenis hebben.
En dat is ook zo, als men er geen aandacht aan schenkt!
Dan verschrompelt het droomorgaan, zoals een lichaamsdeel verschrompelt dat niet gebruikt, niet verzorgd, niet ontwikkeld wordt.
En dan verstomt een waardevolle leidsman, de brug naar een ander leven, dat veel hoger staat dan het aardse, brokkelt af.
De droom is het pad tussen waken en slapen - het is ook het pad tussen leven en dood.
dinsdag 22 april 2008
Frederik van Eeden - een droom
- De droom van 30 Nov. 1905 herinnert aan het slotvizioen van De kleine Johannes of aan de Lichtstad: "Hedennacht de schoonste heldere droom, die ik ooit gehad heb. Het was zo duidelijk, zo groots, zo rijk, en zo overweldigend, dat ik geheel verbluft was en nagenoeg sprakeloos.'t Enige wat ik uitriep was: "O! hoe zal ik dit alles beschrijven! Want het vertoonde zich in een volheid en verscheidenheid, die me geen tijd liet tot nauwkeurig opmerken. Het was een landschap en wereldstad tegelijk. Een ontzaglijke vallei, waarop ik van bovenaf neder zweefde, komende van een hoge berg. En die vallei was vol bomen, groen, bloemen, gebouwen, beelden en mensen. Vlak voor mij was een reusachtige azaleaboom, geheel met rode bloemen overdekt, verderop een zeer lange arcade die van boven af neer liep tot de bodem van het dal. hij was met klimop begroeid. Dan een witte tempel met zeer lange, dunne witte pijlers, enorm hoog en ook met klimop begroeid. In 't midden van het dal stond een reuzegroot bronzen beeld, alleen een kop, ik zag de zon er op glanzen. En verder overal gebouwen en duizenden, duizenden mensen. En dat alles te samen gaf een indruk van geluk en schoonheid, die onbeschrijfelijk was. Ik riep maar: "Hoe heerlijk, hoe heerlijk!" Tweemaal zag ik het, en de tweede maal zag ik de met klimop begroeide arcade van een andere kant, van terzijde. Ik deed mijn uiterste best alles goed op te merken, om het te onthouden en te beschrijven. Maar ik voelde dat het boven mijn kracht zou gaan. En de schoonheidsaandoening was de tweede maal zo hevig, dat ik uitriep: "Het is te heerlijk! ik kan het niet dragen!" En toen voelde ik, dat het mij ontging en dat ik wakker moest worden. Ik ontwaakte ook, nog sterk ontroerd en aangedaan, en poogde mij alles te binnen te brengen."
Illustratie: Johfra-Bosschart
zondag 2 maart 2008
Een 'Visioen' van Carl Gustav Jung
Terwijl ik de treden naar de ingang in de rots naderde gebeurde er iets merkwaardigs met me: ik had het gevoel of alles wat ik tot dan had meegemaakt van me afgenomen werd. Al mijn meningen, mijn wensen en gedachten, de hele fantasmagorie van het aardse bestaan viel van me af, of werd me ontroofd - een uiterst pijnlijk proces. Maar er bleef ook iets over, want het was alsof ik alles wat ik ooit beleefd had of gedaan had, alles wat om me heen gebeurd was, nu bij me had. Ik zou ook kunnen zeggen: het was bij mij en dat was 'ik'. Ik bestond er om zo te zeggen uit. Ik bestond uit mijn verleden en had absoluut het gevoel: dat ben 'ik' nu. 'Ik ben deze bundeling van wat volbracht en geweest is'. - Deze belevenis gaf me het gevoel van uiterste armoede, maar tegelijk van grote bevrediging. Er was niets meer dat ik verlangde of wenste, maar ik bestond als het ware objectief: ik was datgene wat ik doorleefd had. Aanvankelijk overheerste weliswaar een gevoel van vernietiging, van beroofd zijn of geplunderd zijn, maar plotseling viel dat ook weg. Alles leek voorbij, het bleef een fait accompli, zonder enige binding met het vroegere. Ik voelde geen spijt meer dat iets weggevallen of afgepakt was. Integendeel: ik had alles wat ik was en ik had alleen dat.Nog iets anders hield me bezig: toen ik de tempel naderde was ik er zeker van dat ik in een verlichte ruimte zou komen en dat ik daar al die mensen zou aantreffen waar ik in werkelijkheid bij hoorde. Daar zou ik - ook dat was een zekerheid - eindelijk begrijpen in welke historische samenhang ik, of mijn leven, thuishoorde. Ik zou weten wat er vóór me was geweest, waarom ik geworden ben en waarheen mijn leven verder zou stromen. Het leven dat ik had geleefd was me vaak als een verhaal voorgekomen dat geen begin en geen eind heeft. Ik had het gevoel een historische perikoop te zijn: een stuk tekst waaraan het voorafgaande en volgende gedeelte ontbreken. Het leek alsof mijn leven met een schaar uit een lange keten was geknipt, en veel vragen waren onbeantwoord gebleven. Waarom is het zó gegaan? Waarom heb ik daarmee gedaan? Wat zal eruit volgen? Op al deze vragen – daar was ik zeker van - zou ik een antwoord krijgen zodra ik de stenen tempel was binnengetreden. Daar zou ik inzien waarom alles zó en niet anders geweest was. Ik zou daar bij de mensen komen die het antwoord op mijn vragen naar het ervoor en erna weten.
Terwijl ik nog over deze dingen nadacht, gebeurde er iets dat mijn aandacht trok: van beneden, vanuit Europa, steeg een gedaante omhoog. Het was mijn arts, of beter gezegd, zijn beeltenis, omlijst door een gouden ketting of lauwerkrans. Ik wist meteen: 0 ja, dat is mijn dokter die me behandeld heeft. Maar nu komt hij in zijn oergestalte; een Basileus van Kos.[1] Tijdens zijn leven was hij een avatar (incarnatie) van deze Basileus, de tijdelijke belichaming van de oergestalte die altijd al heeft bestaan. Nu komt hij in zijn oergestalte.
Vermoedelijk was ook ik in mijn oergestalte. Dat had ik weliswaar niet waargenomen; ik stel me alleen voor dat het zo geweest is. Nadat hij als een beeld uit de diepte naar me was toe gezweefd en voor me stond, vond een stille gedachte-uitwisseling tussen ons plaats. Mijn arts was namelijk door de aarde afgevaardigd om me een boodschap te brengen: er werd tegen geprotesteerd dat ik op het punt stond heen te gaan. Ik mocht de aarde niet verlaten en moest terugkeren. Op het moment dat ik dat vernam eindigde het visioen.
Ik was ten diepste teleurgesteld, want nu leek alles tevergeefs. Het pijnlijke proces van de 'ontbladering' was tevergeefs geweest en ik mocht de tempel niet in, niet naar de mensen die bij me hoorden.
Bron: Herinneringen, dromen en gedachten - C. G. Jung
[1] * Basileus = koning, Kos was in de oudheid beroemd om zijn Asklepios-tempel en was de geboorteplaats 'van de arts Hippocrates (vijfde eeuw voor Christus).
Labels:
biografie,
Carl Gustav Jung,
dromen,
psychologie,
visioen
Abonneren op:
Posts (Atom)
