Posts tonen met het label De Steen der Wijzen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Steen der Wijzen. Alle posts tonen

woensdag 26 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen

Woorden van Tennyson, geciteerd door J. Anker Larsen in 'de steen der wijzen'
Tennyson schrijft er het volgende over: "Eensklaps, om zoo te zeggen als gevolg van een intensief gevoel van mijn eigen individualiteit, scheen deze individuali­teit zelve zich op te lossen en te verdwijnen in een zijn zonder grenzen. En dit was geen verwarde toestand, maar het duidelijkste van al wat duidelijk is, het zekerste van al wat zeker is, elke beschrijving tartend; een toestand, waarin de dood een bijna belachelijke onmogelijkheid was, en het verlies van de persoonlijkheid - indien het dit was - scheen geen vernietiging te zijn, maar het eenige ware leven. Ik schaam mij over mijn zwakke omschrijving. Heb ik niet gezegd, dat die toestand elke beschrijving tart?"

illustratie: Escher

dinsdag 25 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

"Het moet waarlijk wel een gebeurtenis zijn om een engel te zien," zei Dahl.
Miss Dale zweeg, alsof zij niet verder op dit onderwerp wenschte in te gaan. Maar Dahl vond, als zij er openlijk met Barnes over gesproken had, dan kon zij dat toch ook wel met hem en May doen.
"Barnes denkt, dat u hier met een bepaalde bedoeling bent," zei hij polsend.
"Bedoelt hij hier in Denemarken of hier op aarde," vroeg zij.
"Waarschijnlijk allebei."
Zij keek hem even aan en antwoordde ontwijkend: "Wel, wij zijn hier allen om een bepaalde reden."
"Gelooft u, dat alle menschen om een bepaalde reden geboren worden?"
"Allen."
"Die reden is niet gemakkelijk te vinden.”
Zij antwoordde niet.
Dahl ging voort: "En zij dan, die kort na hun geboorte sterven. – Ik heb zelf een broertje gehad. Ik was den hemel nabij, wanneer ik bij hem was. Ik was toen zelf nog klein, maar ik kan hem nooit vergeten. Hij stierf, voordat het leven beteekenis voor hem kreeg,"
"Wie zegt u, dat het leven beteekenis voor hem moest hebben" zei miss Dale.
"Voor wien anders?"
"Naar wat u zooeven zei, heeft het beteekenis gehad voor u” zei zij.
En toen hij haar getroffen en verwonderd aankeek, ging zij voort:
"U sprak zoo juist over het zien van een engel uit den hemel. U moest zich daar niet te veel voor inspannen. U moest liever zorgen, dat de engelen, die u met eigen oogen ziet hier op aarde, hun volle beteekenis krijgen in uw leven. De volle beteekenis en de juiste."

zaterdag 1 maart 2008

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

Citaat 4.
"Het is vreemd, wanneer ik nu - omdat u het mij vraagt ­mijzelf beschouw. Want dan kom ik tot de ontdekking, dat ik langen tijd weg ben geweest.
Ikzelf ten minste. Want ik heb het gevoel, alsof ik het heelemaal niet zelf geweest ben, die geleefd heb, maar iemand, die naar mij zocht.
Er zijn vele jaren verloop en, die mij in het geheel niet schijnen aan te gaan. Het klinkt wel dwaas."
“Niet voor mij," zei May. "Met mij is het net zoo. Ik ben niet wakker geweest, sedert ik op school kwam. Sedert dien tijd heb ik alleen maar loopen slapen. Ik geloof, dat wij het op dezelfde manier gehad hebben, maar vertel het toch maar.”
"Wat moet ik vertellen," zei hij glimlachend. "Er was eens een jongen, die Jens heette - en dat was ik. Op zekeren dag was hij verdwenen, en er kwam een kerel, die Dahl heette - en ik dacht, dat ik het was. Op een goeden dag viel hij in slaap, en er ontwaakte een jongeman, die Jens heette - en dat ben ik, die hier zit. Al het andere is, geloof ik, iets leelijks, dat ik gedroomd heb. Ik heb het nooit goed met dien Dahl kunnen vinden."
"Vertel mij toch maar wat van hem."
"Dat kan ik niet zonder u eerst van den jongen te ver­tellen," zei hij.
"Van hem wil ik het allerliefst wat hooren," zei zij.
"Er valt niet veel van dien jongen te vertellen," begon hij.
“Er was geen afstand tusschen mij en den hemel, die in mij was. Ik wandelde in het paradijs.
Maar op zekeren dag werd dit gesloten en vanaf dien dag was ik in ballingschap en voelde de noodzakelijkheid om mijn ziel te verlossen. Ik werd godsdienstig. Ik werd theoloog. De theologie dreef mij uit het Christendom.
Maar ik had nog altijd een ziel, die verlost moest worden.
Ik zocht naar iets. Ik dacht, dat het God was. Ik begrijp nu, dat het ikzelf was.
Dat moet het geweest zijn. Want nu, nu ik mijzelf weer ken, is er geen afstand tusschen mij en mijn eigen hemelrijk.
Ik heb geen godsdienst noodig - het eenige wat ik vroeger noodig had.
Misschien is godsdienstigheid het streven van een on­harmonisch gemoed naar harmonie en zijn de godsdiensten gebaseerd op belijdenissen van mannen, die gestreefd en bereikt hebben.
Wat mij betreft schijnt het mij toe, dat ik de geheele Christelijke godsdienst beleefd - en overleefd heb.
Ik heb gewandeld in het paradijs der onschuld, waar ik geen godsdienst noodig had. Ik ben er samen met een Eva uitgestooten en op de aarde geworpen. Ik beleefde Abels dood, want ik voelde, dat hij, dien ik als mijzelf erkende, dood was. Ikzelf had hem gedood. Wij loop en allen rond met een broedermoordenaar in ons.
Sedert dien tijd ben ik alleen geweest, met wien ik ook samen was.
En het is niet goed voor den mensch, dat hij alleen is.
Maar op zekeren dag ontwaakte ik en zag den beuk van voor den zondeval, den beuk, dien ik mij herinnerde van toen ik nog een jongen was. Er kwam iemand voorbij en ik keek in de oogen van een mensch, die zocht naar hetzelfde leven als ik.
Sedert dien dag ben ik niet meer alleen geweest.
Ik begrijp, dat de mensch, als hij samen met Eva uit het paradijs verdreven wordt, er met Madonna weer in terug­keert.
Door haar komt het kind, dat den mensch verlost. Zoo is het met mij gegaan. De jongen is teruggekeerd. De vol­wassene aanbidt Madonna.
Meer heb ik niet te zeggen. Ik zocht naar God. Als God liefde is, dan is God daar, waar ik nu ben en er is niets in mij, dat ik zou willen verbergen. Voor geen enkelen God. Voor geen enkel mensch. Ook voor u niet. Wat ik nu voel, erken ik met ieder deel van mijn wezen als het mijne. Hemel en aarde zijn een, en er is geen verschil tusschen lichaam en ziel:”

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

citaat 3.
Hij zat in een hoek van zijn sofa met gesloten oogen; zijn ademhaling werd langzaam en regelmatig, zijn bewust­zijn scheen in scherpte toe te nemen, hoewel zijn gedachten als het ware verlamd werden door den diepen afkeer van alles, wat hijzelf was. Een voor een vertoonden zijn eigen­schappen zich aan hem, wekten zijn afschuw op en vielen als verdorde, waardelooze bladeren ter aarde.
Eindelijk werd het stil en toen had hij een gevoel, alsof hij ophield zichzelf te zijn.
Diep doordrongen van zijn eigen slechtheid zonk hij neer tot op den bodem van het niet, met het bevrijdende gevoel van niet meer te bestaan.

Zijn hoofd lag achterover geleund tegen den sofarug. Iemand, die de kamer binnenkwam, zou hem voor dood kunnen aanzien. Zelf voelde hij, dat hij langzaam, regel­matig en diep ademhaalde. Hij begon ook een gelukkige gezondheid in zijn ledematen te bespeuren, zooals men dit voelt, wanneer een ziekte haar macht verloren heeft.
Het nam toe tot een jubelenden overvloed van lichamelijk genot.
Een paar tranen rolden over zijn wangen, omdat het lichamelijke genot onmiddellijk overgegaan was in geestelijk geluk.

Een onuitsprekelijke goedheid stroomde als een golf van licht door zijn geheele wezen en hij kon deze niet onder­scheiden van zichzelf. Hij voelde zich gedragen door een liefderijke macht, die de geheele wereld droeg, staande hield en voorwaarts leidde, zoo innig er mede vereenigd, dat het niet mogelijk was het leven te onderscheiden van die machtige liefde zelf.

Zijn devotie was zoo diep, dat hij er niet aan kon denken om te knielen of zijn handen te vouwen. Maar hij opende de oogen, er toe gedreven door bijna al te veel innerlijk licht; en toen zag hij, dat het licht ook buiten hem was.
De geheele wereld lag in een stralend licht, dat geen schaduw wierp en dat door tafels en stoelen heen drong, zoodat hij er doorheen scheen te kunnen zien. Hij kon niet uitmaken, of dit allesdoordringende licht de goddelijke liefde zelf was, of iets wat bij haar behoorde, zooals het lichaam bij de ziel van den mensch. Maar - als het ware met behulp van dit licht - zag hij, dat de machtige liefde altijd en overal tegenwoordig is. Doch dat de mensch zich heeft weten te isoleeren van het bewusttijn hieromtrent, door middel van zijn zelf­genoegzaamheid. En dat geen mensch de kracht van zijn eigen zelfgenoeg­zaamheid vermoedt.
Ons even nabij als onze ademhaling, en toch zoo ver van ons verwijderd, dat wij kunnen twijfelen aan haar be­staan, is Gods liefde. ­

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

Citaat 2
"Waar zouden wij toch vandaan komen? Waar zijn we, voordat wij hier zijn?" Hij keek naar de kleine, die onder zijn blik wakker werd en de oogen opsloeg. Zij zagen Jens niet, zij zagen niets van wat er in de kamer was; zij hadden geen bodem, maar heel diep daarbeneden lag Broertje zelf en keek de andere richting uit naar iets, waar hij juist vandaan gekomen was, en Jens keek ook naar be­neden door Broertjes oogen heen, om te zien, wat dat was. Terwijl hij tuurde, kreeg hij het gevoel, dat zijn oogen die van den kleine aanraakten en meteen voelde hij een ver­andering in de zijne, een verandering, die goed deed.
Iets uit Broertjes oogen was in de zijne gekomen en maakte, dat zij zich verwijdden op een heerlijke manier. Zij werden vrolijk. Zijn mond was ook vrolijk geworden, want hij glimlachte en binnen in zijn borst zat het allervrolijkste van alles, de zekerheid, die nu in zijn brein opkwam: hij had een glimp gezien van datgene. waar Broertje naar terug lag te kijken en waar hij zoo juist vandaan gekomen was. Dat was immers de hemel.
Zoo gebeurt het. Het is de hemel, waar wij vandaan komen; daar waren wij, voordat wij hier kwamen. Broertje kon het zich nog herinneren, was er waarschijnlijk nog bijna, wanneer hij sliep. Alleen kon hij niet praten en zeggen, wat hij zich herinnerde.Toen glimlachte Broertje, en Jens wist, dat hij begreep, zelfs al kon hij niet spreken. Want er was dezelfde blijdschap in hen beiden. Er was niet het minste verschil tusschen. Zij herinnerden het zich samen.
En daarom moeten wij nog leeren praten, wanneer wij geboren zijn, want in den hemel spreken wij niet zooals hier. Wij zijn er zoo blij, dat wij geen woord zeggen kunnen. En het ook niet behoeven, want wij zien elkander maar aan en weten alles ineens. Zoo is de hemeltaal. Alles ineens, en blijdschap over alles. Meer is er niet. Wij kunnen het vanzelf.Wij kunnen de hemeltaal ook niet vergeten. Maar wij kunnen vergeten, dat wij haar kennen. Hoe zou dat wel toegaan?
Hij keek om zich heen in de kamer en zag, hoe wonderlijk die was. Hij herkende dit wonderlijke. Zoo was ze eens geweest.

J. Anker Larsen - 1. De Steen der Wijzen - Citaten

Citaat 1
Een jonge man, wiens levensdoel - geen sport-meester­schap en geen betrekking, maar dat "Godsrijk", dat gezegd wordt binnen in ons te zijn - voor het blote oog niet zichtbaar was, liep in het bos met een dof gevoel van verlatenheid.Hij was van Katharina weggegaan, gedrukt door een radeloos medegevoel. Hij zou graag terug zijn gegaan om de woorden te zeggen, die zij verwachtte, als het maar wat gegeven had. Maar vroeg of laat zou de teleurstelling toch tot haar gekomen zijn, want hij had haar niets anders te geven dan een gewone vriendschap en een verliefdheid, die niet haar gold, maar alleen het geslacht, waartoe zij behoorde.
Deze ingenomenheid met het andere geslacht voerde hem altijd te ver, tot schade van de vrouwen, die hij ont­moette. Hoewel hij geen kwaad wilde, was zijn gedrag niet beter dan dat van den molenaarsknecht uit Vissiingröd dien Martine reeds waarschuwend genoemd had; hij, die schuldigen en onschuldigen zonder onderscheid tot, slachtoffer maakte. ­
Geen van de vrouwen, die hem hun liefde hadden ge­boden, hadden iets anders dan een vluchtig, vergankelijk deel van zijn ik aangeroerd. De rest van zijn wezen was één knagend gemis, een nooit sluimerende behoefte aan grotere levenskracht. Van zijn kindsheid af had zijn ziel gehongerd naar een eeuwigheidsgevoel en zonder dit zou ZIJ nooit verzadigd zijn.

woensdag 27 februari 2008

J. Anker Larsen

Momenteel lees ik 'De Steen der Wijzen' van J. Anker Larsen, een Deense auteur die ik pas heb ontdekt.
Het boek is antiquarisch te koop bij antiqbook en boekwinkeltjes... en is meer dan 500 pagina's dik. Voor mij mochten het er wel dubbel zoveel zijn!
Binnenkort komen hier enkele citaten uit het boek.

'Martha en Maria', van dezelfde auteur, ligt ook al op mij te wachten.