Posts tonen met het label Walpurgisnacht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Walpurgisnacht. Alle posts tonen

zondag 31 augustus 2008

Citaten uit het werk van Gustav Meyrink

Wat iemand zijn hele leven tegen zichzelf misdaan heeft, laat zich niet in een enkel kort ogenblik goedmaken!
Maar in wie eenmaal de oorzaakloze vreugde is binnengevaren, die heeft voortaan het eeuwige leven, want die is verenigd met het 'Ik' dat de dood niet kent. Die leeft altijd in vreugde, ook als hij blind en kreupel geboren was.
Maar de vreugde wil geleerd worden, wil verlangd worden, maar wat de mensen verlangen, is niet de vreugde, maar de aanleiding voor vreugde.
Dat begeren zij en niet de vreugde.

Walpurgisnacht

zondag 24 augustus 2008

Citaten uit het werk van Gustav Meyrink

Jullie willen dat God tot jullie spreekt? Elke mensenmond wordt een mond van God, als jullie geloven dat het Gods mond is. Het geloof alleen maakt dat een mensenmond verandert in Gods mond. Elk ding wordt God, zodra jullie geloven dat het God is! En als ergens Gods mond tot jullie spreekt en jullie geloven dat het een mensenmond is, dan is Gods mond al verlaagd tot een mensenmond. Jullie willen dat Gods stem daar spreekt, waar geen mond is. Dat zijn hand ingrijpt, waar geen arm is. In elke arm die jullie wil belemmert, zien jullie een mensenarm. In elke mond die jullie tegenspreekt: een mensenmond. Hoe moet God zich dan aan jullie openbaren, wanneer jullie niet in hem geloven, en niet zien dat hij overal is?
Walpurgisnacht

donderdag 12 juni 2008

Gustav Meyrink - Walpurgisnacht (4)

Alles in de uiterlijke wereld berust op de merkwaardige wet van het 'plus' en 'min' teken.De "Lieve Heer", zo schijnt het, zou de wereld hebben geschapen. Heeft u zich ooit afgevraagd, of het niet het spel van het "ik"was? Sinds de mensheid kan denken, zijn er elk jaar wel duizenden geweest, die in het sentiment van de zogenaamde - de onwaarachtige! - 'deemoedigheid' zwelgden. Niets anders dan masochisme, bedekt met het manteltje van zichzelf voorliegende kwezelarij! Dat noem ik in mijn taal het 'min' teken. En zulke 'mintekens', zich ophopend in de loop der tijd, werken in het rijk van het onzichtbare als een zuigend vacuüm. Dat roept dan een bloeddorstig, smart voortbrengend sadistisch 'plusteken' op, een wervelstorm van demonen, die zich bedienen van de hersenen van de mensen, om oorlogen te ontketenen, moord en doodslag te verwekken. Iedereen is een instrument, alleen weet hij het niet.
Slechts het 'Ik' is geen instrument; het staat in het Rijk van het Midden, ver van het plus en minteken. Al het overige is instrument, het een het werktuig van het ander. Het onzichtbare is instrument van het 'ik'.

woensdag 9 april 2008

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

Telkens als hij opkeek, zag hij in de spiegel bij de deur een tweede keizerlijke lijfarts zitten, en elke keer als hij dat deed, drong het tot hem door hoe hoogst merkwaardig het eigenlijk was dat zijn spiegelbeeld met de linkerhand dronk, terwijl hij­zelf daarvoor de rechter gebruikte, en dat die dubbelganger daar, als hij hem zijn zegelring zou toegooien, deze alleen aan zijn rechter ringvinger zou kunnen dragen.

'Er speelt zich daar een wonderlijke omkering af', sprak de lijfarts tot zichzelf, 'die echt een schrikwekkend effect zou hebben, als wij niet vanaf onze jeugd gewend waren, deze als iets vanzelfsprekends te zien. Hmm...

Waar in de ruimte vindt echter deze omkering plaats? Ja, ja, natuurlijk: in een enkel mathematisch punt, strikt genomen. Merkwaardig trouwens, dat in een zo nietig punt zo enorm veel meer gebeuren kan dan in de uitgestrekte ruimte zelf!'


Een onbestemd gevoel van angst dat hij, als hij het geval verder zou onderzoeken en de wetmatigheid die het bevatte tot andere vragen zou uitbreiden, tot de conclusie zou komen dat de mens eigenlijk niet in staat was ook maar iets vanuit zijn bewuste wil te ondernemen, veel­eer slechts het hulpeloze instrument was van een raadselachtig punt in zijn innerlijk, deed hem van verder gepeins afzien.


Om evenwel niet opnieuw in verzoeking te geraken, draaide hij resoluut de lamp uit en maakte daardoor zijn spiegelbeeld eens en voor altijd onzichtbaar.

woensdag 2 april 2008

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

De afbeelding die daar aan de muur hing, was zij in zekere zin zelf. Net als een zaadkorrel het beeld van de plant, die hij eens zal worden, in zich draagt, verborgen voor de uiterlijke zintuigen, niettemin in alle organische details helder omlijnd, zo had zij dat beeld sinds haar jeugd met zich meegedragen: het was de voorbestemde matrijs, waarin haar ziel moest groeien tot in elke vezel en cel, totdat ook de kleinste groef van de vorm door haar was opgevuld.
Het plotseling ontwakende, onderbewuste inzicht, zichzelf met alle nog sluimerende en alle reeds naar buiten getreden ei­genschappen te hebben aanschouwd, had het gevoel opgeroe­pen dat het schilderij van haar stammoeder levendiger was dan alles wat ze ooit gezien had.
Levendiger dan elk ander ding in de wereld kan echter alleen de mens voor zichzelf zijn.
Zij kende de wet niet, waarop alle magie berust: 'Wanneer twee grootheden aan elkaar gelijk zijn, dan zijn zij één en de­zelfde en slechts één maal aanwezig, ook als tijd en ruimte hun bestaan lijken te scheiden.'

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

'Wie ik ben?', kwam het uit de mond van de toneelspeler.
De keizerlijke lijfarts meende, zijn eigen stem van weleer te horen.
Ze was die van een knaap weliswaar, maar tegelijk ook die van een grijsaard.
Een wonderlijke dubbeltoon klonk eruit op, als spraken er twee kelen: de ene, uit het verleden, kwam van ver weg, de andere, uit het heden, was als de nagalm van een klankbodem, die de eerste klank gaf en hoorbaar maakte.
Ook wat zij zeiden, was een vermenging van kinderlijke on­schuld en de dreigende ernst van een oude man: 'Wie ik ben?
Heeft er ooit, sinds de aarde bestaat, een mens bestaan, die op deze vraag het juiste antwoord wist?
Ik ben de onzichtbare nachtegaal, die in de kooi zit en zingt.
Maar niet alle spijlen van de kooi trillen mee, als zij zingt.
Hoe vaak heb ik in jou niet een lied aangeheven, opdat je mij mocht horen, maar jij was doof, je leven lang.
Niets in de ganse kosmos was jou steeds zo nabij en eigen als ik, en nu vraag je mij, wie ik ben?
Menig mens is zo vervreemd van zijn eigen ziel, dat hij dood ineenstort, wanneer het moment gekomen is dat hij haar aan­schouwt.
Hij herkent haar dan niet meer; zij draagt het gelaat van de gewone daden, die hij volbracht heeft en waarvan hij heimelijk vreest, dat zij zijn ziel bevlekt zouden kunnen hebben.
Mijn lied kan je alleen horen, als je het meezingt.
Een misdadiger is hij, die het lied van zijn ziel niet hoort, een mis­dadiger tegen het leven, tegen anderen en tegen zichzelf.
Wie doof is, is ook stom.
Onschuldig is hij, die voortdurend het lied van de nachtegaal hoort, al slaat hij zelfs zijn vader en moeder dood.'

donderdag 27 maart 2008

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

‘Was ik toen werkelijk zo’n nuchter mens?’, vroeg hij zich droefgeestig af, ‘of komen we eerst nader tot onze eigen ziel, naarmate we het graf dichter tegemoet gaan?’


Het heeft iets spookachtigs, als herinneringen weer levend worden! Ze komen naar buiten als uit een nietig punt, breiden zich uit, bevinden zich opeens in de ruimte, mooier en sterker aanwezig dan ze eerst waren.


‘Wat is de aarde toch voor een wrede spiegel: zij laat de beelden die zij doet ontstaan, langzaam in iets afschuwelijk veranderen en verwelken, voordat ze oplossen.’


Wie zich niet meer verheugen kan, in hem is de zon gestor­ven. Hoe zou zo iemand licht kunnen uitstralen? Zelfs de onzuivere vreugde staat dichter bij het licht dan de duistere, droefgeestige ernst.
Je vraagt wie ik ben? De vreugde en het' Ik' zijn hetzelfde. Wie de vreugde niet kent, die kent ook zijn' Ik' niet.
Het innerlijkste' Ik' is de oerbron van de vreugde. Wie het niet aanbidt, die dient de hel.

Gustav Meyrink - Walpurgisnacht(4)

Geleidelijk varieerde hij de melodie op een wijze zoals het moment hem ingaf.
Het lag in zijn aard, zich door zijn eigen spel te laten meesle­pen, waar hij dan als een verwonderde toehoorder naar kon luisteren, alsof iemand anders en niet hijzelf de violist was, één, die zich in hem bevond en die hij toch niet zelf was en van wie hij niets wist - noch gestalte noch wezen - dan dat hij de strijkstok hanteerde.
In gedachten dwaalde hij daarbij rond in vreemde, ge­droomde plaatsen, bracht klinkende schatten uit verre diepten naar boven, tot hij zelf zo extatisch was dat de muren om hem heen verdwenen en een nieuwe, aldoor veranderende wereld vol kleuren en klanken hem omgaf.
Dan kon het soms wel gebeuren dat de doffe ramen glashel­der voor hem werden en dat hij plotseling wist, dat daarachter een feeënrijk lag in wonderbaarlijke pracht, de lucht vol van wit-glanzende, dwarrelende vlinders, een levende sneeuwval midden in de zomer, en dat hij zich langs oneindige rijen jas­mijnbomen met gewelfde bladerkronen zag schrijden, dron­ken van liefde - de vurige schouder van de jonge, voor de brui­loft getooide vrouw, die geheel zijn ziel met de adem van haar huid doordrenkte, innig tegen de zijne gedrukt.

woensdag 19 maart 2008

Gustav Meyrink – Walpurgisnacht (4)

Plechtig doen alleen onnozele halzen, dat is bekend.
Wie niet in staat is om in de humor de ernst te voelen, die is ook niet in staat om de valse "ernst", die een schijnheilige kwezel als het één en alles van het leven beschouwt, humoristisch te vinden, en zo iemand wordt het slachtoffer van de geestdriftwekkende leugens, de zogenaamde "levens idealen ".
De allerhoogste wijsheid waart rond in het narrenkleed! ­Waarom? Omdat alles wat men eenmaal als "kleed" en niets anders dan "kleed" heeft herkend en doorzien, - ook het lichaam - , noodgedwongen alleen maar een narrenkleed kan zijn. Voor een ieder die het ware "ik" zijn eigendom noemt, is het lichaam een ook dat van anderen: een narrenkleed, verder niets.
Dacht u, dat het ik het in de wereld kon uithouden als de wereld werkelijk zo was als ze er in de ogen van de mensheid uitziet?

Gustav Meyrink (1868-1932), Walpurgisnacht

dinsdag 18 maart 2008

Gustav Meyrink, Walpurgisnacht (4)

"Mijn lied is een eeuwige melodie van vreugde.
Wie de vreugde niet kent, de zuivere, grondeloze, blije zekerheid, het oorzaakloze: ik ben, die ik ben, die ik was en altijd zijn zal, die is een zondaar tegen de heilige geest.
Voor de glans van de vreugde, die in de borst straalt als een zon aan de innerlijke hemel, wijken de spoken van de duisternis die de mensen begeleiden als de schimmen van vergeten misdrijven, begaan in een vorig bestaan, en die de draden van zijn noodlot weven.
Wie dit lied van de vreugde hoort en zingt,
die vernietigt de gevolgen van elke schuld
en laadt nooit meer schuld op zich,"

Gustav Meyrink, Walpurgisnacht