dinsdag 11 maart 2008

Pauls Ontwaken - Frederik van Eeden

Verhoor mij nu, mijn kind! Geef uwen vader kracht
Verlicht zijn ziel bij dag, versterk zijn geest bij nacht!
dat hij voortaan zijn werk, in ’t leeven dat hem rest,
voltooye vast en zuiver tot ons aller best.

Nu gij hier niet meer zijt, maar leeft in ander Licht,
Zoo zend mij dan somwijlen nog een licht bericht,
Ontstijg mij niet te ras in ál te lichte sfeeren,
de Vader kan de hand des Zoons nog niet ontbeeren.

Geurlooze, witte bloemen zullen voor u bloeyen
en handen liefdevol wegneemen wat verflenst
en in de heesters die wij op uw graf doen groeyen
zullen de vogels nest’len, als ge ’t hebt gewenscht.

“Slaap in! nu komt de rust!” zoo sprak mijn bang verstand
toen hij de Roep des Eeuw’gen wachtte aan ’s Leevens rand.
Maar hij sloot de oogen niet – hij oopende ze wijd
en hield zijn laatste kracht voor oovergang bereid

de machtelooze vingren vouwend in gebed
totdat zijn blijde ziel verlost was en gered.
Zoo werd door hem mijn ijdel woord te schand gemaakt:
Hij is niet ingeslapen – maar in ’t Licht ontwaakt.

O milde maning van zijn Engel-zachten lach,
toen hij de tranen op zijn doodsbed vallen zag:
“Denk dat wie ál te droevig om mijn heengaan schreit
de vreede zou verstooren van mijn zaligheid.”

Beklaag mij om mijn tranen niet, geheiligd kind!
Gij weet dat in dien vloed mijn hart zijn vreede vindt,
die alle bitterheid versmelt en al wat schrijnt
verzacht als in uw ziel bij uw zachtmoedig eind.

Hoe zijt gij mij voorbij-gestreefd met koene vaart,
gij die mijn teeder smartekind op aarde waart!
Gij hebt op mij vertrouwd, den Wil zou ik u geeven
En zie! nu baant gij mij den weg tot beeter leven.

Het licht was blank en koel, drie plechtig stille dagen,
tot ik het leedig lijf mee hielp ten grave dragen.
Het woud stond roerloos en de groote waereld scheen
vervuld van heilig Licht en met mijn voelen één.

O rechte zwarte weg! o zon-bescheenen heide!
waar onze stille stoet zijn lijk naar ’t graf geleidde.
Daar voelden wij zijn bijzijn in de lichte Sfeer,
Zijn Liefde kwam tot ons, de onze ging tot hem weer.

De Spooksels van den nacht die waren nu verzwonden,
de weg tot aan het hart des Eeuw’gen was gevonden,
De Zaal’gen hebben hem met liefde en troost begroet,
zooals een moeder dat haar jong-geboorne doet.

De Dood, waarvoor elk mensch met goede reeden huivert,
is als een vlammend vuur dat alle zielen zuivert,
dat snel verteert al wat verblinding is en waan
en tast alleen het schoone en werklijke niet aan.

Zoolang de Godheid Mensch, de Christus nog moet lijden
moet ieder sterflijk mensch zijn heil uit leed bereiden
en elk rampspoedig hart, als ’t maar in Liefde zwicht,
heft zich door Wijs Geloof uit Chaos tot in ’t Licht.


Uit: Paul’s Ontwaken - Frederik van Eeden - Amsterdam 1916 W. Versluys

maandag 10 maart 2008

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

"Zou jij eigenlijk wel weten, wat geloof is?" zei Nyeland. "Wat noem jij geloof?"
Marie dacht een oogenblik na en zei toen:
"Het eeuwige en het tijdelijke, het grenzeloze en het begrensde hebben elkander lief. Het geloof is de aantrek­kingskracht van het eeuwige en het tijdelijke tot elkaar, tot bewuste vereniging in het gemoed van een mensch. Het is een levende kracht, die niet berust op opvattingen of meningen, maar er vaak door belemmerd wordt.”

Ik ben immers geen denker, maar alleen iemand, die beleeft. En wat ik beleefd heb, is dit:
"Toen ik God niet meer in mijn eigen gedachten kleedde, toen ik niets anders van Hem wist, dan dat Hij is, maar niet datgene, wat ik van Hem denk, toen brak Zijn licht over mij uit.
Het was als het afnemen van de kap van een lamp, en zie, het licht zelf straalde rein en helder, en alle dingen op de wereld lagen in dit Licht, dat sterk is en door alle dingen heen dringt.
Mijn oogen kunnen het verdragen, tot mijn onzegbare vreugde.
Laat hen, wier oogen zwak zijn, de kap behouden; het is toch het licht zelf, dat er doorheen schijnt. Laat hen, die het noodig hebben, zich de beste denkbeelden van God maken; iets van Zijn wezen zal toch door hun nietige gedachten omtrent Hem heen schemeren.
Maar laat hen niet hun ideeën aan anderen opdringen, want de kap is niet het licht en hun gedachten omtrent God zijn niet God"

Demian - Hermann Hesse

Ook onschuldige mensen blijft het nauwelijks bespaard dat zij een of meerdere malen in hun leven in konflikt komen met de schone deugden van piëteit en dankbaarheid. Iedereen moet eens de stap nemen die hem scheidt van zijn vader, zijn leermeesters, iedereen moet iets er­varen van de hardheid der eenzaamheid, al kun­nen ook de meeste mensen dat maar in ge­ringe mate verdragen en kruipen zij al spoe­dig weer ergens veilig weg. - Ik was van mijn ouders en hun wereld, de 'lichte' wereld van mijn mooie kinderjaren niet gescheiden via een heftige strijd, maar ik was langzaam en bijna onmerkbaar verder van hen verwijderd en van hen vervreemd. Ik had er verdriet van, als ik thuiskwam beleefde ik vaak droeve uren; maar het greep mij niet intens aan, het was draaglijk.

Maar daar waar we niet uit gewoonte, maar uit de diepste impuls liefde en eerbied hebben bewezen, daar, waar wij geheel vanuit ons eigen hart discipelen en vrienden zijn geweest- daar is het een bitter en vreselijk moment als we plotseling menen te ontdekken dat de belang­rijkste stroom in ons zich van de beminde wil verwijderen. Dan richt elke gedachte die de vriend en leermeester afwijst zich met een giftige angel tegen ons eigen hart, dan treft elke af­weerslag ons eigen gezicht. Dan duiken bij de­gene die dacht dat hij een deugdelijke moraal met zich meedroeg de namen 'trouweloosheid' en 'ondankbaarheid' op, als smadelijke kreten en brandmerken, dan zoekt het verschrikte hart angstig toevlucht in de lieflijke dalen der kinderdeugden en het kan niet geloven, dat ook deze breuk moet geschieden, ook deze band verbro­ken moet worden.
Hermann Hesse - uit: Demian

Het Roode Lampje


1. Nu de diepst moogelijke oprechtheid!
Ik wil waarheid, waarheid, niets dan waarheid en de gansche waarheid.
Daarbij wil ik mij om iets anders niet bekommeren.

Met ingehouden adem wil ik waarneemen, hoe de naald wijst van het kompas in mijn ziel.

Ze trilt en schommelt, maar keert toch telkens terug in ééne richting.
Er is een Waarheid, en die heet ook Werkelijkheid en ook Zaligheid.
En daaraan hebben wij deel, anders zouden wij niet naar het geheel verlangen.

2. Somtijds op enkele zeldsame en wondervolle mo­menten, krijg ik een korte gewaarwording van het Wee­zen dat dierbaar is en oneindig tegelijk, en van zijn oneindige, ooveral heerschende werksaamheid.
Ik heb het eens gedroomd in den vorm van een einde­loos uitgestrekt veld, waarop alles leefde en bewoog, als een woelende lava-massa, de boodem bewoog in kolken en er verreezen en verzonken wonderlijke groeisels zoover het oog reikte.

En dat was het eeuwig-scheppende en weeder vernielende Weezen, de Oer-geest, de Al-ziel, de krachtbron van alle beweeging, de Bedenker van alle na­tuurwetten, de Droomer van alle Lust en Schoonheid, de altijd-door nieuwe Zegger en Doener, de Verzinner van steeds nieuwe vreugden en Brenger van steeds nieuwe, voor de Vreugde noodzakelijke smarten.

En daarbij zoo in­nig, zoo teeder, zoo lief, zoo dierbaar, zoo zacht en minnelijk. "Zuigkindjens donzen kopje aan ouder-wang!"
Frederik van Eeden - Het Roode Lampje - deel I

Bruggen

Bruggen

Ieder mens zit op zijn eiland
en zit vast in zijn bestaan
om een ander te bereiken
moet je van je eiland gaan.
Daarvoor moet je bruggen bouwen
bruggen bouwen naar elkaar
maar de afstand tussen mensen
maakt het lastig en soms zwaar.

Mensen bouwen aan contacten
want alleen is zo alleen
wie een brug slaat naar een ander
zoekt wat warmte om zich heen.

Er valt veel te overbruggen
met een uitgestoken hand
bruggen kunnen levens redden
bruggen bouwen schept een band.

Bruggen bouwen tussen volken
tussen "wij" en tussen "zij"
dat is bouwen aan vertrouwen
dat brengt vrede dichterbij.

G. Brokerhof

zondag 9 maart 2008

Citaten

Als een goed paard niet vooruitgaat wanneer hij wordt voortgedreven, en niet stilhoudt wanneer hij wordt ingehouden, zal een echte leider niet proberen er ergens op heen te gaan. Zelfs als het water vlak is, zal het altijd rimpels hebben. Zelfs als een weegschaal geijkt is, zal hij altijd enige afwijking vertonen. Zelfs als de maten gelijk zijn, zal er altijd enige speling zijn. Zonder passer en liniaal kan men geen cirkel en vierkant maken; zonder loodlijn kan men niet zeker zijn van het rechte en het kromme. Zij die passer en liniaal gebruiken, bezitten ook het hart van de passer en de liniaal.
Lao-tzu

Nu zou het toch wel erbarmelijk en vernederend zijn, als wij door eigen schuld onszelf niet kennen en niet weten, wie wij zijn. Is het geen grote domheid, wanneer iemand, gevraagd wie hij is, niets van zichzelf afweet, zijn vader en moeder niet kent en niet eens weet, waar hij thuishoort? Als dat nu al redeloos dom zou zijn, dan is het toch nog onvergelijkelijk dommer wanneer wij geen zorg dragen goed te weten wat we eigenlijk zijn en ons bepalen tot onze lichamelijkheid, dat wil zeggen tot de buitenkant. We weten - want we hebben dat gehoord en het geloof zegt het ons - dat wij een ziel hebben. Maar wat die ziel aan rijkdommen bezit, of wie binnen in die ziel verblijf houdt, of de hoge waarde van die ziel, daar houden wij ons maar zelden mee op en bijgevolg maakt het ons ook niet veel of wij er met alle zorg voor waken, dat de schoonheid ervan ongerept blijft. Alle zorg wordt besteed aan de grove zetting (van de edelsteen) of aan de ringmuur van het kasteel. Dat is dan het lichaam.
Teresa van Avila

J. Anker Larsen - 2. Martha en Maria - Citaten

Marie’s humor was gebaseerd op diepen ernst, die haar woorden kenmerkte, als zij in haar dagboek alleen met zichzelf sprak. In dien tijd schreef zij:
"Hoewel mijn levenskracht grooter is, dan ik ooit had kunnen denken, is het, alsof ik al gestorven ben, terwijl ik leef. Zoo groot is het verschil tusschen vroeger en nu. De anderen zien hetzelfde oude lichaam en denken, dat het hetzelfde is. Maar vroeger was ik het, die het bezat en ge­bruikte naar mijn wil, nu is het God, die het bezit, en ik ben slechts zijn dienstbode, die veegt en stof afneemt.
Maar indien het niet vermetel was, zou ik zeggen, dat er tijden zijn, dat ik nauwelijks onderscheid kan zien tusschen Hem en mij.
Zoo kan een dienstbode haar goeden meester liefhebben, dat zij geen verschil kan maken tusschen zichzelf en hem, niet omdat zij gelooft, dat het de meester is, maar omdat zij zichzelf geheel en al vergeet voor hem en niets voor zichzelf houdt.
Als mijn rechter hand die van een ander drukt, wil het immers zeggen: "Marie Nyeland groet U” en niet: "Marie Nyelands rechter hand groet uw rechter hand."
Mijn hand is niets zonder mij en mijn wil bepaalt ieder van haar bewegingen.
Zoo is het, dat ik bij tijden niet onderscheiden kan tus­schen God en mij. Ik weet, dat Hij grooter is, maar er is niets in mij, dat niet Hij is.
Hoe minder ik aan Hem denk, des te meer is het zoo, want als ik aan Hem denk, ben ik het, die naar Hem zit te kijken en mij over Hem verheug. Het is alsof mijn hand zou denken: "Ik ben Marie Nyelands nuttige hand." Maar als die slechts handelt, dan ben ik het die denk en handel.
Als ik mij geen denkbeelden van God maak, maar slechts handel, dan ben ik Hem zoo nabij, dat Hij het is, die denkt en handelt.
Maar als iemand dit bij toeval eens mocht lezen, dan moet hij weten, dat het alleen zoo is, als men God even gehoor­zaam is, als onze hand gehoorzaam is aan onszelf. Die is zonder eigen wil en er is geen verschil tusschen haar en ons.
Ons bloed en onze wil stroomen er direct heen. Zoo kunnen Gods leven en wil onmiddellijk in een mensch stroomen." ­

Uit: Martha en Maria - J. Anker Larsen

donderdag 6 maart 2008

Jonathan Livingstone Seagull - Richard Bach


Ze kwamen in de avond, en troffen Jonathan alleen, vredig voortglijdend langs zijn geliefde hemel. De twee meeuwen die naast zijn vleugels verschenen waren zuiver wit als sterre­licht, en het schijnsel dat ze uitstraalden was zacht en vriendelijk in de hoge donkere nachtlucht. Maar het mooiste van alles was de perfectie waarmee ze vlogen, hun vleugeltips bewegend op precies een centimeter afstand van de zijne.
Zonder een woord te zeggen onderwierp Jonathan hen aan zijn proef, een proef die nog nooit een meeuw doorstaan had. Hij draaide zijn vleugels en liet zijn snelheid teruglopen tot een enkele mijl boven zijn overtreksnelheid. De twee stralende vogels ver­traagden hun vlucht tegelijk met hem, soepel, hun formatie gesloten houdend. Ze kenden het geheim van langzaam vliegen.
Hij vouwde zijn vleugels samen, maakte een rolbeweging en stortte zich in een duikvlucht, tot hij een snelheid bereikt had van driehonderd tachtig kilometer per uur. Zij doken naast hem, naar omlaag flitsend nog steeds in formatie, zonder een enkele hapering.
Tenslotte voerde hij met die snelheid een langzame, verti­cale rol uit. Zij rolden naast hem, in formatie, glimlachend.
Hij won weer hoogte en zweeg een tijdje, voor hij iets zei.
"Goed dan," zei hij, "wie zijn jullie?"
"Wij zijn van jouw Vlucht, Jonathan. Wij zijn je broeders." De woorden klonken kalm en beslist. "We zijn gekomen om je hogerop te brengen, naar huis."
"Ik heb geen huis. Ik heb geen Vlucht. Ik ben een banne­ling. En we vliegen nu in de hoogste zone van de Grote Bergwind. Hoger dan een kleine honderd meter kan ik dit oude lijf niet meer krijgen."
,.Dat kun je wel, Jonathan. Want je hebt het geleerd. Je hebt de ene leerschool voltooid, en het is tijd om aan een andere te beginnen. "
Het licht, dat hij zijn hele leven in zich had voelen branden, scheen helderder dan ooit. Ze hadden gelijk. Hij, Jonathan Zee­meeuw, kon wel hoger vliegen, en het was tijd om naar huis te gaan.
Hij wierp nog één keer een lange blik op de hemel, op dat
prachtige zilveren land waar hij zoveel had geleerd.
"Ik ben bereid," zei hij tenslotte.
En Jonathan Livingston Zeemeeuw steeg naar boven, samen met de twee witte sterrevogels, om te verdwijnen in de strakke donkere lucht.

Citaten


De sleutel, die ons tot meesters zal maken over de innerlijke na­tuur roest sedert de zondvloed. Hij heet: waken. Waken is alles. De mens is er vast van overtuigd, dat hij waakt, maar in werke­lijkheid is hij gevangen in een net van slapen en dromen, dat hij zelf geknoopt heeft. Hoe dichter het net hoe machtiger heerst de slaap. Zij die in zijn mazen hangen zijn slapers die door het leven gaan als kuddedieren, die naar het slachthuis worden gedreven, onverschillig en gedachteloos.
Het Groene Gezicht - Gustav Meyrink


- Gij -
Ik beroemde mij onder mensen dat ik u gekend had.
Zij zien uw afbeelding in al mijn werken.
Zij komen en vragen mij: "Wie is hij?"
Ik weet niet hoe ik hen moet antwoorden.
Ik zeg: "Waarlijk! Ik kan het niet zeggen!"
Dan doen ze mij verwijten en gaan met minachting heen.

En Gij zit hier en glimlacht.

Mijn verhalen van U geef ik in duurzame liederen.
Het geheim ontglipt mijn hart.
Zij komen en vragen: "Zeg ons wat dat allen betekent!"
... Ik weet hun niet te antwoorden.
Ik zeg: "Ach wie weet wat het betekent!"
Zij lachen en gaan heen met grote minachting.

En Gij zit hier en glimlacht.
Tagore


woensdag 5 maart 2008

Kahlil Gibran - over Liefde

Als de Liefde je toewenkt, volg haar dan,
Hoewel haar wegen moeilijk begaanbaar zijn en steil.
Als ze haar vleugels om je heen slaat, zwicht dan voor haar,
Hoewel je wellicht wordt gewond door het zwaard dat schuilgaat tussen haar slagpennen.
En als ze je toefluistert, schenk haar dan geloof,
Hoewel haar stem je dromen verbrijzelt, zoals de noordenwind door een tuin woedt en haar maakt tot een woestenij.

Want ofschoon de Liefde je kroont, kruisigt ze je ook.
Ofschoon ze dient voor je groei, zal ze je ook snoeien.
Ofschoon ze opstijgt om je hoogste, teerste takken te strelen, die bevend trillen in de zon,
Daalt ze ook af naar je wortels om ze los te schudden waar ze zich vastklampen aan de aarde.

Als een korenschoof gaart ze je bijeen.
Ze dorst je tot je naakt bent.
Ze want je tot je vrij bent van kaf.
Ze maalt je tot je blank bent.
Ze kneedt je tot je soepel bent.
En wijst je dan toe aan haar heilig vuur,
opdat je heilig brood wordt voor Gods heilig feestmaal.
Dit alles doet de liefde, opdat je de geheimen van je hart leert kennen
en zo een deel wordt van 's levens hart.

Maar als je in je angst alleen de vrede en de zoetheid der liefde zoekt,
Is het beter dat je je naaktheid bedekt, haar dorsvloer verlaat
En een wereld betreedt zonder seizoenen, waar je zult lachen maar niet je volle lach,
en wenen, maar niet al je tranen.

De Liefde geeft enkel zichzelf en put slechts uit haar eigen bron.
Zij weet niet van bezitten en wil evenmin in bezit genomen worden,
Want zij heeft genoeg aan zichzelf.

Als je liefhebt, zeg dan niet: 'God is in mijn hart'; zeg liever: 'Ik ben in het hart van God.'
En denk niet dat je de loop van de Liefde kunt bepalen,
want de Liefde bepaalt, zo zij je waardig acht, jouw loop.
De Liefde kent geen ander verlangen dan zichzelf te vervullen.

Maar als je liefhebt en toch verlangens koestert, laat dit dan je verlangens zijn:
Smelten en worden als een snelvlietende beek die haar melodie zingt voor de nacht;
De pijn kennen van te veel tederheid;
De liefde doorgronden, gewond worden
En vrijwillig en vreugdevol bloeden;
Bij het ochtendgloren ontwaken met een gevleugeld hart,

dankbaar voor weer een dag van liefhebben;
Rusten op het middaguur en de vervoering van de Liefde overpeinzen;
Tegen de avondstond huiswaarts keren vol dankbaarheid;
En dan slapen met een gebed voor de geliefde in je hart
en een lofzang op je lippen.

Hie ik in beam west Theun de Vries


Hie ik in beam west
Dan hie ik stean wollen
Oan ien fan dy lytse tsjerkhôven
Omheind efter mânske liguster.

Dêr komme hja dan sneintemiddeis
Om nei de sarken te sjen,
Wat wylde gerzen wei te roppen
Of moas fan in namme te skrabjen.

Ik woe harren wat tanúnderje
Sûnder dat se it fernamen,
En ien dy't it langst bleau
Ienlik, ûnferweechlik op har bank,
Dimmen beskaadzje.


Theun de Vries (1907-2005)

Verwelkt Blad - Hermann Hesse



VERWELKT BLAD

Elke bloesem wil tot vrucht,
Elke morgen wil avond worden,
Niets eeuwigs bestaat op aarde
dan de verandering, het verwaaien.

Ook de mooiste zomer wil
Ooit eens herfst en verwelking ervaren.
Houd jij, blad, je geduldig stil,
Wanneer de wind je wil ontvoeren.

Speel je spel en verzet je niet,
Laat het stil gebeuren.
Laat door de wind, die je breekt,
je naar huis toe waaien.

HERMANN HESSE

Heer van mijn leven. - Tagore



Heer van mijn Leven.

Gij die de aller-innigste Geest van mijn wezen zijt,
zijt gij verheugd,
Heer van mijn Leven?
Want ik gaf u mijn kom
gevuld met alle pijn en elk genot.
die de geperste druiven van mijn hart hadden overge­geven,
ik weefde met het ritme van kleuren
en zangen de sprei voor uw bed,
en met het gesmolten goud van mijn verlangens
maakte ik speelgoed voor uw voorbijgaande uren.

Ik weet niet waarom gij mij als uw metgezel uitzocht,
Heer van mijn leven!
Hebt gij mijn dagen en nachten vergaard,
mijn daden en dromen voor de alchemie van uw kunst,
rijgend aan het snoer van uw muziek mijn zangen van
herfst en voorjaar,
en de bloemen geoogst van mijn rijpe ogenblikken
voor uw kroon?

Ik zie uw ogen schouwend in het duister van mijn hart,
Heer van mijn Leven,
ik vraag mij af of mijn falen en fouten zijn vergeven.
Want vele waren mijn dagen zonder dienstbetoon
en nachten van vergetelheid;
vergeefs waren de bloemen die verlepten
in de scha­duw die u niet werd aangeboden.

Vaak verslapten de vermoeide snaren van mijn luit
in de spanning van uw melodieën.
En vaak waren bij de ruïne van mijn verspilde uren
mijn troosteloze avonden gevuld met tranen.

Maar zijn mijn dagen tenslotte tot hun einde gekomen,
Heer van mijn leven
terwijl mijn armen u krachteloos omvatten,
en mijn kussen hun waarheid verliezen?
Breek dan de ontmoeting van deze lusteloze dag op.
Hernieuw het oude in mij in verse vormen van genot;
en laat de bruiloft weer opnieuw komen
tot een nieuwe ceremonie van leven.

Tagore

dinsdag 4 maart 2008

Gustav Meyrink – Het Groene Gezicht. (1)


Het is de dubbelzinnigheid van de taal die ons scheidt.

Als ik openlijk iets zou schrijven over innerlijke groei, dan zouden zij daaronder verstaan: verstandiger worden, of beter worden, zoals zij onder filosofie een theorie verstaan en niet een werkelijk navolgen.

Zich houden aan de geboden alleen, zelfs op een eerlijkste manier, is niet voldoende om innerlijke groei te ontwikkelen, want het is slechts de uiterlijke vorm.

Dikwijls is het overtreden van de geboden een betere leerschool!

Maar wij houden ons aan de geboden als we ze zouden moeten overtreden en wij overtreden ze als we er ons aan zouden moeten houden.

Omdat een heilige alleen maar goede daden verricht, wanen de mensen dat zij door goede daden heilig kunnen worden.

Zo lopen zij langs het pad van een vals godsgeloof de afgrond in en geloven dat zij tot de rechtvaardigen behoren.

Door valse deemoed worden ze verblind, zodat ze als de tijd komt, ontzet achteruit deinzen, als kinderen voor hun eigen spiegelbeeld, en bang zijn dat zij waanzinnig geworden zijn als zijn gelaat hen aanziet.

Gustav Meyrink – Het Groene Gezicht

Gustav Meyrink – De Golem (1)

Ik zag eens op een uitgestorven plein hoe grote flarden papier - zonder dat ik iets van de wind merkte, want ik stond in de beschutting van een huis - in dolle razernij in een kring rond joegen en elkaar achternazaten, als hadden zij elkaars ondergang gezworen. Een ogenblik later schenen zij gekalmeerd te zijn, maar plotseling kregen zij weer een vlaag van waanzinnige verbittering en in zinneloze woede raasden zij rond, verdrongen zich in een hoek om opnieuw bezeten uiteen te stuiven en tenslotte om een hoek te verdwijnen.
Alleen een dikke krant kon niet meekomen; zij bleef op het plaveisel liggen en klapte vol haat open en dicht, alsof ze buiten adem was en naar lucht hapte.
Een duister vermoeden kwam toen bij me op: als wij stervelingen uiteindelijk ook zoiets waren als die flarden papier? Of misschien een onzichtbare, onbegrijpelijke 'wind' ook ons niet heen en weer drijft en onze handelingen bepaalt, terwijl wij in onze onnozelheid denken onze eigen vrije wil te volgen?
Als het leven in ons eens niets anders was dan een raadselachtige wervelwind? De wind waarvan de bijbel zegt:'Weet gij, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat?'
Gustav Meyrink – De Golem